Mijn theaterdominee-drive

Mijn theaterdominee-drive

Ik ga voor vernieuwing, verdieping en verfrissing van oude bijbelverhalen die onze taal en cultuur mee hebben gevormd.

Ik ben theaterdominee voor kerkelijke mensen (18+) die verlangen naar nieuwe geluiden in die verhalen. Inspiratie, nieuwe inzichten, eyeopeners. I love it! Ik heb een broertje dood aan hypervrome woorden, simpele – en vaak pijnlijke – antwoorden en goedkope uitvluchten naar een hemel straks. Oude verhalen voor nú graag! Doordacht en doorleefd. Mooi, eerlijk, inhoudelijk, persoonlijk, toepasbaar en relevant.

Ik ben ook theaterdominee voor mensen die moe, onverschillig, cynisch of vrijzinnig zijn geworden door bekende en eindeloze riedeltjes en ‘zo hoor je als gelovige te denken’. Je kent het misschien wel, en hopelijk niet: het christelijke geloof in een pakketje, strik erom of handtekening eronder, en klaar. Saaaaaaaaaai! En funest voor je ziel.

Tot slot ben ik theaterdominee geworden voor mensen die nooit (meer) naar een kerk gaan, en simpel en snel als niet-gelovig worden weggezet. Misschien klopt voor hen mijn hart nog wel het hardst. Want ik voel het als ik met hen in gesprek ben. Zij staan vaak net zo goed open voor eerlijke, kwetsbare en inhoudelijke verhalen. Ook over God. Mijn ervaring is: als we de eerste frustraties over onze ervaringen met geloof, kerk en God voorbij zijn (kan ff duren, en dat mag!), kan er zomaar een ongezien of verborgen verlangen komen bovendrijven. Het échte gesprek, zeg maar. Want ook ik geloof dat we allemaal ongeneeslijk religieus zijn (mooi boek!). En dat we om allerlei redenen voelend en tastend op zoek zijn naar waarheid, zei Paulus ooit. Of in de woorden van Toon Hermans: ‘Alles wat waar is, werkt op het toneel.’

Ik kan niet veel geven, maar wel alles van mezelf. In een eerlijk en inhoudelijk avondje theater. ‘Leuk leren’ noem ik het op mijn homepagina. Of theatrale theologie. Het theater geeft me meer ruimte dan in een kerk (waar ik trouwens ook graag spreek): ik kan daar college, liedjes, anekdotes, verhalen, gedichten en gedachten en gekkigheid in kwijt.

De verhalen van toen verdienen het om verteld en naar onze tijd vertaald te worden. Ik vind ze zo ont-zet-tend gaaf en herkenbaar en vol levenswijsheid zitten!

 
 

Mijn drive?

1. Ik wil mensen verbinden die zomaar kunnen denken dat ze anders dan anderen zijn, maar dat in hun gedrag niet of nauwelijks kunnen laten zien. Waarom niet? Omdat ‘Ik geloof in God’ in de praktijk vaak maar weinig verschilt van ‘Ik geloof niet in God’. Vooral als je bedenkt dat God liefde is. Ik bedoel: wie gelooft er nou niet in de liefde? Oftewel: kerkelijk of niet, we vergeten onze overtuigingen vaak te doordenken. We spijkeren onszelf zomaar vast aan zinnetjes en groepsgeloof. We weigeren door te vragen. ‘In wélke God geloof jij wel of niet? Wat is er in je leven gebeurd? En: als we dan in de liefde geloven – wat ook wel een cliché is toch? – wat houdt dat dan in? Welke impact heeft dat op ons leven van alledag?

2. Ik wil hokjesdenken helpen afschaffen, omdat dat misschien wel hét actiepunt is van mijn inspiratiebron en meer dan dat: Jezus van Nazaret. Vooral als gelovigen hekken bouwen of anderen uitsluiten, laat hij van zich horen. Boos en verdrietig tegelijk, en dan volledig in zelfbeheer. Ik wil daarom mijn eigen overtuiging (‘Laat mijn eigen overtuigingen geen splijtzwam vormen tussen mensen, maar in de eerste plaats mijn eigen hart splijten’) meer en meer waarmaken. Ik weet van mezelf hoe moeilijk ik dat vind. Vanuit opgelopen onzekerheden en angsten ben ik gevoelig voor mijn eigen gelijk en beoordeling van anderen. En ik ben een Nederlander, dus “ik wil weten waar ik aan toe ben”. Of ik goed ben. Fatsoenlijk. Normaal (Nog zo een: ‘Doe maar normaal, dan…’). En of ik in het goede hokje zit. En anders praat ik me zelf dat goede hokje wel in. En ligt het aan de ander.
Ik ben niet de enige. Ik ervaar hoe zowel kerken als de maatschappij gevoelig voor splijten en splitsen en ‘Eigen Groep Eerst’ is.

Dat moet anders. En kan ook anders. Jezus van Nazareth gaat me hierin voor. En vele Groten der Aarde gaan in zijn kielzog mee (zoals Nelson Mandela, Dag Hammarskjöld, Moeder Theresa, Martin Luther King, e.v.a.). En daar doe ik op mijn eigen, kleine wijze graag aan mee. Met mijn zelfgecreëerde beroep.

Theaterdominee.
Doe je mee?

David Heek


De theaterdominee tourt komend seizoen door Nederland met zijn theatercolleges die je aan het denken willen zetten. Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

Wat profeten willen (w)eten

Wat profeten willen (w)eten

Leraren kennen we.
Mooi beroep is dat.
Je medemensen wat bijbrengen, en leren om te leren.
En dat je dan door de interactie en de gesprekken zelf ook weer nieuwe dingen leert.
Tof!

En stel nou dat je jezelf niet alleen als leraar ziet.
Maar ook als profeet.
Als wattes?
Ja, als een profeet.

Heb je daar een beeld bij?
Ik weet niet of je dat hebt.
Maar misschien denk je aan iets als dit:

En David, gaan de Oranjeleeuwinnen morgen winnen van Amerika?
En zo ja, met hoeveel?
En wie maakt het eerste doelpunt?
Loopt het uit op verlenging en strafschoppen?

Profeten kunnen dat weten, toch?
Als toekomstvoorspellers.
Zelfs als toekomstvoorzéggers.

Kijk, Piet Paulusma en Marco Verhoef voorspellen het weer van morgen.
Een profeet kan de toekomst voorzeggen.

Roept zoiets herkenning op bij die functie van profeet?

Je hebt ze trouwens niet alleen bij SBS en de NOS.
In de kerk heb je ze ook.
Profeten.
Mensen die, zoals dat dan vaak wordt genoemd, dingen “op hun hart krijgen” en “woorden van God” aan andere gelovigen kunnen doorgeven.
Het wordt de ‘gave van profetie’ genoemd.
Een bijzonder ding.
Ik kan erover meepraten.

Persoonlijk voel ik me dan ook erg verbonden met dit fenomeen (lees hier een persoonlijk voorbeeld van zo’n ervaring).
Als ik moet kiezen uit de vijf vanouds bestaande kerkelijke functies, dan plaats ik mezelf graag in de categorieën ‘leraar’ en ‘profeet’.
In die combi kan ik goed gedijen.
Ik vind die ook veelzijdig en spannend.
Veel kerken erkennen deze functies ook.
Er zijn herders en leraren, vaak dominee of predikant genoemd.
Er zijn evangelie-verkondigers: evangelisten.
Er zijn apostelen: uiteraard de eerste leerlingen van Jezus, maar ook zogenaamde ‘zendelingen’, een letterlijke vertaling van ‘apostelen’.
Maar de functie van profeet… die heb ik in de kerk nooit gekend.
In mijn kerkelijke ervaring zijn er nooit profeten in de kerk geïnstalleerd.
Zonde is dat.
En het heeft ook grote gevolgen.
Want kerken missen daardoor zomaar een innerlijke, kritische stem.
Mensen die de boel scherp houden.
Mensen die het heilig verklaarde zo nu en dan ontheiligen.
Mensen die kunnen kietelen en narren.
Mensen die humor en ruimte en lucht kunnen brengen als het leven te zwaar is gemaakt.
Mensen die ernst kunnen brengen als het leven te vrijzinnig of te navelstaarderig wordt.
Haal de profeten weg, erken ze niet, geef ze geen plek, laat ze stikken, zwijg ze dood, en je tekent voor lauwheid en een verstarde status quo.
Maar misschien en hopelijk herken je dat niet in je eigen kerk.

Ja, schaar mij maar onder de profeten.
Het zijn echt van die eenlingen.
Zonderlingen.
Luizen in de pels.
Vreemde vogels.
Teruggetrokken types die zich geregeld maar op hun eigen tijd in het openbaar laten zien.
Kunstenaars, artiesten, bohémiens.
Individualisten die voelen dat ze anders dan anderen zijn en doen.
En anders krijgen ze dat wel van die anderen te horen…

Tegelijk voel ik er ook bescheidenheid bij.
Het klinkt zo hoogdravend, vind je niet?
Voorspellen.
Voorzeggen.
Profeet.
Ik voel een uitspraak van de Joodse profeet Amos diep mee.
Hij zegt ergens: ‘Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en vijgenteler.’

Alleen ben ik dan een zoon van een visboer.
Uit Spakenburg.
Maar ja: veeboer, visboer, die paar letters verschil maken niet zoveel uit.
Nog steeds zijn het van die beroepen waar je moeilijk CEO in kunt worden, zeg maar.
En het zijn geen beroepen waar je per definitie en als vanzelf status en respect van anderen door krijgt.
Ook niet van die beroepen die je per se op je LinkedIn-, Facebook- of Twitterprofiel wilt zetten.
(Ik vind het prachtige beroepen, dat wil ik hier graag even zeggen! Ik kom vaak op de boerderij en sta graag aan de viskraam!)

Tja, profeet.
Je zult het maar zijn.
Lastig hoor.
Bovendien: van die gave van profetie kan zo snel misbruik worden gemaakt.
‘Ja, het zijn woorden van God die ik heb gekregen, dus als ik jou was zou ik daar maar even goed naar luisteren.’
Machtsdenken en emotionele manipulatie liggen gevaarlijk snel op de loer.
Er is in het kerkelijke verleden ook wel misbruik van gemaakt.
En misschien wordt dat nog wel steeds gedaan, daar heb ik geen zicht op.

Aan de andere kant: dat doen die weer-profeten op tv ook.
Dat is minder schadelijk natuurlijk.
Maar de weerman die er eerlijk vooruit komt dat-ie er gisteren faliekant naast zat, moet volgens mij nog geboren worden.
Te vaak dekken zij zich eenvoudig in.
‘We zijn weervoorspellers, geen waarzeggers.’
Terwijl een arts die een verkeerde inschatting maakt over een ziektebeeld, zich wel mag verantwoorden.
Dan denk ik: aan ‘sorry’ zeggen heeft volgens mij nog nooit iemand een ziekte overgehouden.

Hetzelfde geldt voor iemand als Thierry Baudet.
Als je het prototype ‘seculiere profeet’ zoekt, dan is hij het wel.
Hij profeteert dat we als samenleving “het verlies van God” – zoals hij dat noemt –  op alle mogelijke en zoekende manieren aan het opvangen zijn.
Ik ken geen christen-politicus die deze analyse zo duidelijk en publiekelijk verwoordt.

Het verlies van God.
Het klopt.
Ik merk het ook.
De lege plek.
Het zoeken.
De opvulling van de lege plek.
Het cynisme soms.
De onverschilligheid ook.
De capitulatie.
Hoe ook theologen ‘God’ dan maar vermijden, en vervangen door Het Morele Principe, Het Fijne, Het Leuke, De KnuffelHeer, De Warmte, of Het Kaarslichtje.
Je moet toch wat.
God is dood, ik weet het.
Ik deel die filosofische conclusie van Nietzsche.
Maar hij wordt zomaar op de lelijkste en meest lachwekkende manieren weer levend gemaakt.
Dat je denkt: laat hem alsjeblieft dood liggen.
Want nu graaf je een vies skelet op.

En de gevoeligheid, die merk ik ook door het verlies van God.
Op begrafenissen bijvoorbeeld.
We mogen het daar over alles hebben.
Over onze eenzaamheid, pijn, ellende, ons verdriet, de radeloosheid, het gemis en over troost.
Maar niet over God.
Waag het niet!
Houd God buiten de dood van onze dierbaren!
Onze overgevoelige en ongeneeslijk religieuze zieltjes kunnen het niet aan.
(Ik denk dan drie dingen: 1. Een ‘God die dood is’ past daar toch juist heel goed? En 2. Prima, het hoeft van mij niet per se over God te gaan. En 3. als we hem toch verloren hebben, wat is er dan zo erg aan om God tevoorschijn te halen? Maar dan mooi, en goed, en eerlijk. Dat is het punt natuurlijk. We willen geen kut-of-klote-god. En dat snap ik. Maar, eh, als ik mijn telefoon verloren ben, dan ben ik wel blij als-ie wordt teruggevonden. En dat ik hem terugkrijg. Mag van mij trouwens ook als ik toevallig op een begrafenis ben.
En dan hebben we het dus over een telefóón hè.)

Het verlies van God.
Baudet spreekt ware woorden.
Mooie boektitel ook trouwens.

Maar ja, hoe Baudet het christendom vervolgens opnieuw inzet om een soort autocratische, nationalistische samenleving te creëren waarin een soort oervorm van Nederlands cultuurchristendom nieuw leven wordt ingeblazen, en waarin vervolgens iedereen die niet aan de normen en waarden van dat cultuurchristendom voldoet kan ophoepelen – tsja, het heeft schrijnend en bar weinig te maken met de open-minded Christus op wie het begrip ‘christendom’ en ‘christelijk geloof’ is gebaseerd.

Bovendien, de vermenging van christelijk geloof en politiek vraagt om een dosis wijsheid en innerlijke rust waar je u tegen zegt.
Baudets constant multi-interpretabele gepraat (‘Zo heb ik mijn woorden niet bedoeld’, ‘Mijn vrouw-onvriendelijke uitspraken worden uit hun context gehaald”, enz.) en zijn snelle opgefoktheid getuigen maar weinig van die rust en wijsheid.
Om verder maar geen woorden vuil te maken aan zijn gemene, geniepige, emotionele manipulatie.

Seculiere profeten.
Kerkelijke profeten.
Je zult maar zo’n profeet zijn.
Ik wil het steeds meer leren.
Ik voel me echt een beginneling.
Een autodidact.
En ik denk: bestonden er maar, net als in die oude Israëltijd, zogenaamde profetenscholen.
Lees die uitspraak van Amos nog maar eens: ‘Ik ben geen profetenléérling’.

Want weet je wat ik zo fascinerend vind aan die profeten?
Niet eens dat ze iets moois en unieks voor hun medemens kunnen betekenen.
Dat ze woorden van God aan anderen kunnen doorgeven.
Omdat ze iets ‘op hun hart hebben gekregen’.
Gewoon iets móeten zeggen.
Net zoals de profeten zeiden ‘Dit zegt de Heer’, maar vervolgens hun eigen mond open deden, en zeiden wat ze moesten zeggen.
Wat een connectie!

Ook waardeer ik het niet eens dat het persoonlijkheden zijn van wie je het idee hebt dat ze op de een of andere manier dichter betrokken zijn op het hart van God.
Op Gods pathie.
Sympathie.
Empathie.
Op Gods passie – zijn hartstocht, meeleven, pijn, warmhartigheid en gedrevenheid.

Profeten?
They eat God’s heart out!
– in positieve zin.
Veel meer dan toekomstvoorspellers of toekomstvoorzeggers zijn het mensen die op de een of andere manier het goddelijke hart in zichzelf horen kloppen.
Alsof hun eigen hart regelmatig meeklopt met die van de Allerhoogste.

Maar dat is nog niet eens wat ik het meest bijzonder vind.
Ik bedoel: God is geest, en wij hebben zelf ook een geest (Engels: mind).
Dus dat die connectie bestaat, en dat er mensen zijn die er wat meer mee zijn geconnect vind ik heel mooi maar ergens ook wel logisch.

Wat me wel enorm fascineert aan die profeten is hun kijk op de wereld.
Ze hebben de wereld om hen heen in beeld.
Echt ongelooflijk vind ik dat!
Zonder Google Maps hè.
Zonder achtuurjournaals.
Ze hebben vanuit hun eigen land Israël een helikopterview over de omringende landen.
Ze willen per se weten wat er zich om hen heen afspeelt.
En ze weten het!
Ze denken niet alleen, ze kijken ook out of the box.
Uit de eigen bekende kaders, gewoontes, normen, waarden en tradities.
De profeet Jesaja bijvoorbeeld heeft het hoofdstukken achter elkaar over Babel, Assyrië, Moab, Aram (Syrië), Nubië (Ethiopië) en Egypte.
Dan denk ik: Hoe is dit in godsnaam mogelijk?
Hoe weet hij dat allemaal?
Dat is toch niet normaal?
Hoe heeft hij daar zicht op gekregen?
Net als die andere profeten, zoals Jeremia, Ezechiël, Nahum en Zacharia.

Vergelijk dat eens met de seculiere profeten van nu.
Die vaak niet verder komen dan de bescherming van hun eigen landje, en hun landgenoten daarin meetrekken.
Of vergelijk dat eens met de kerkelijke profeten.
Die vaak niet verder komen dan de bescherming van hun eigen kerkje, en geloofsgenoten daarin meezuigen.

Je zult maar profeet zijn!

Zo.
En dan kan ik nu naar buiten.
Piet en Marco hebben gelijk.
De bewolking zou later op de dag openbreken.
Het wordt langzaamaan een stralende dag.

PS. Vind je dit onderwerp interessant? Ben je benieuwd of je jezelf als een profeet kunt of wilt zien (en voel je daar misschien nog schroom, angst of schaamte bij), lees dan absoluut het boek ‘De Profeten’ van Abraham Joshua Heschel. Een beter en mooier boek hierover ga je niet vinden. Prachtige bijbeluitleg ook.


De theaterdominee tourt komend seizoen door Nederland met zijn theatercolleges die je aan het denken willen zetten. Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

 

Mijn grootse geloof

 

Mijn grootse geloof

Ik geloof.
Sterker nog: eigenlijk heb ik best een groot geloof.
En ik wil niet opscheppen, maar ik denk dat ik het grootste geloof van iedereen heb.

Ja, lieve lezer, dat laatste geloof je niet, hè?
Zie je, en dus heb ik een groter… 😉
1-0.
Een vroege openingsgoal, hoor.

Weet je wat ik namelijk geloof?
Ik geloof dat iedereen, alle mensen, uit-ein-de-lijk in god gaan geloven, en in zijn zoon en, ja, doe de heilige geest er dan meteen ook maar bij.
Want je kunt wel leven met de vader en de zoon.
Het moet ook een beetje geestig blijven.

Ik geloof dus dat het ooit allemaal goedkomt.
Met alles en iedereen.
Alles en iedereen verzoent zich met god en met elkaar.

Nou hoor ik je denken:
‘Dat zou inderdaad prachtig zijn!
Allemachtig prachtig!
Maar dat gaat natuurlijk niet gebeuren.’

Want je gelooft misschien niet in god, niet in zijn bestaan, en je kunt het je ook niet voorstellen dat je dat ooit gaat doen.
Laat staan dat je het met iedereen goed gaat zitten maken.
Hallo, je bent Gekke Henkie niet.
En je denkt aan wat alle Gekke Henkies of Maffe Maria’s je hebben aangedaan.
Dat snap ik.
En ook heel goed.
En ook heel lang.
En toch geloof ik dat het goedkomt.

Of je zegt: ‘Helemaal leuk, dat grootse geloof van jou, maar de bijbel laat toch wel een ander verhaal horen.
Het is live or die. Forever.
Dus…
Geloof maar lekker verder, David.’

Hihi.
Zie je opnieuw dat ik een groter geloof dan je heb.
Goal!
2-0.

‘Ja maar Hitler dan’, zeg je, ‘daar kan het toch nooit goed mee komen?’

‘Dat zou kunnen kloppen,’ zeg ik dan, ‘dat zou wel eens een heel erg lang verhaal kunnen worden. Zelfs zo lang dat je denkt: ‘Dat komt nooit meer goed met die rare, gevaarlijke kerel.’

En dan tikt de tijd verder.

En dan schijnt elke dag de zon.
Op een vernieuwde aarde.
In een vernieuwde hemel.
In elkaar verweven, zoals de aarde en hemel van nu dat ook al zijn.
Min of meer.
Veel te vaak min.
Zonde man.
Maar wel verweven.
Soms ervaren mensen dat ook.
Ik kan er zelf ook over meepraten.

Ja, het is wat, dat geloof van mij.
Om gek van te worden – wat ik overigens graag ben.

En op die hemel-aarde of aarde-hemel spelen we met z’n allen lekker buiten.
Buiten de poorten van de stad ook, in het open veld.
We luieren wat.
Werken wat.
Schrijven wat.
We hebben de eeuwigheid.
En gezelligheid kent geen tijd, dus dat komt mooi uit.

Je eet wat mee.
Je klust wat bij.
Je vrijt wat af.
En je vindt wat uit.
(Ja, je bent wèl creatief! Waarom heb je dat toch altijd ontkend?)
Of je zingt de hele dag.
Tja, sommige mensen lijkt het heerlijk om voor altijd en eeuwig te zingen.
Elke seconde van de dag.
Prima hoor.
Maar eerst zangles nemen, oké?
Liefde voor je medemens, weet je nog wel?
Dank u.

Hitler is in geen velden of wegen te bekennen.
We weten niet waar hij is.
Het houdt ons ook niet bezig, eerlijk gezegd.
Maar waarschijnlijk is hij ergens ver weg.
In zijn privéhuisje, in de kelder, in het donker, alleen.

Tot er weer een dag aanbreekt waarop de zon schijnt.
En we in de verte een man naar ons toe zien rennen.
We zien duidelijk wie het is.
Hij loopt de poort van de stad binnen.
Vlak daarna wordt hij tegengehouden door een man.
Die we ook goed kennen.
We horen het niet, maar we zien de twee wel kort met elkaar praten.
Heel kort.
We zien Hitler al snel naar zijn kleren kijken, zich vervolgens omdraaien en afdruipen.

Uniform vergeten uit te doen, de sukkel.
Zijn tweede dood.

Een aantal weken later zien we hetzelfde tafereel gebeuren.
We herkennen de beroemdste man uit de 20e eeuw.
Hij loopt weer door de poort de stad binnen.
En dan gebeurt het.
We zien dat de man zijn uniform uittrekt, tot en met zijn hemd en onderbroek.

Dan verschijnt de beroemdste man van de wereldgeschiedenis.
Hij zegt iets tegen Hitler, dat is duidelijk te zien.
Hitler kijkt hem in de ogen, dan naar zijn eigen lijf, en rent weg.
Hij schreeuwt nog wat akeligs van zich af.
In dat typische WOII-Duits.
Hij verdwijnt in de verte.
Zijn derde dood.

Jezus draait zich om en loopt op ons af.
Wij vragen hem: ‘Waarom rende Hitler weg?’
Voordat Jezus onze vraag beantwoordt, laat hij ons zien wat hij in zijn handen houdt.
We kijken naar een set prachtige, smetteloze, witte kleren.
Duidelijk bedoeld voor één persoon.
Dan zegt Jezus: ‘Hij kon mijn blik niet verdragen. Mijn gezicht was te fel, zijn lichaam te naakt. En deze kleren die ik aanbood, hij schonk er geen enkele aandacht aan.’

Iemand van ons vraagt: ‘Wat denkt u? Zou Hitler ooit nog een keer terugkomen, en het met alles en iedereen kunnen goedmaken?
Jezus kijkt de vragensteller aan, en zegt:

‘Beste David, jij zegt toch altijd zo graag tegen iedereen dat je het allergrootste geloof hebt?’

Touché!
Aansluitingstreffer.
2-1…


De theaterdominee tourt komend seizoen door Nederland met zijn theatercolleges die je aan het denken willen zetten. En dat gebeurt gegarandeerd, of je nou gelooft of niet (dat doet hijzelf ook vaak niet op de manier waarop dat volgens anderen zou moeten). Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

Meditatiestorm

Meditatiestorm

Vraagje.
Doe jij ook aan mindfulness, meditatie, bidden of yoga?

Ja tuurlijk doe je dat!
Het is 2019, David!
Hallo? Wakker, jongen?

En, lukt het een beetje?
Kom je ook al zo lekker tot jezelf?
Helemaal in control, en ingetuned, en zen, enz.?
Ja?

En bedankt.
Maak me maar weer jaloers.
Hoe doe je dat toch?
Het gaat bij mij eigenlijk nooit goed.
En ik doe echt mijn best, hoor.
Ik ga er goed voor zitten.
Rug recht.
Ik let op een goede, diepe ademhaling.
Wolken van gedachten probeer ik met mildheid en zonder oordeel voorbij te laten drijven.
Een minuut.
Negen van de tien keer, maximaal een minuut.
Ik houd het gewoon niet vol.

Met je mindfulness-wolkjes.

De laatste keer dat het faliekant mislukt om me diep van binnen stil te krijgen, kom ik helemaal vol te zitten.
Het waait in mijn bovenkamer alle kanten op.
Niet weg te blazen.
Ik regel niet even snel een blauwstrak teletubbieland met van die vriendelijke stapelwolkjes.
Als ik ga bidden of mediteren kan ik rekenen op een STORM van gedachten, fantasieën en emoties.

Maar goed, dat hebben jullie dus minder.
Hm.
Of hoor jij toevallig bij dat joepie-de-poepie-Happinez-succesverhaal-publiek?
Altijd rustig.
Altijd stilte.
Altijd helemaal zen en binnen een mum van tijd een wolkenloze lucht in de kop.
Jaja.
Raar hoor.
Snap ik dus helemaal niks van.
Ik bedoel: waarom noemen ze het dan mindFULness?

Maar goed, ik probeer het weer eens.
Ik ben in meditatief gebed, en de wind steekt op.
Ik laat het maar weer helemaal gebeuren.

Ik zie mezelf zitten.
Op zo’n klein, schattig, houten stoeltje.
Tegenover de juf.
In de kring van de kleuterklas.

Met mijn handen houd ik verkrampt het zitvlak van mijn stoeltje vast.
En ik voel hoe mijn hartje in mijn keeltje tekeergaat.

‘Wie van jullie weet nog waar het bijbelverhaal van gisteren over ging?’

Elke ochtend stelt de juf weer dezelfde vraag.
Gevolgd door stilte.
Altijd die rusteloze stilte.
Alsof ze het erom doet.
Zou ze ook maar enigszins doorhebben wat voor ongemakkelijk gevoel dat bij mij oproept?

Natuurlijk zijn er altijd een paar van die wijsneusjes die meteen hun vinger opsteken.
Altijd dezelfde.
Ik hoor mezelf denken: die krijgen thuis aandacht te kort, zeker weten.
Komen dat op school inhalen, echt.

Of zou zíj er stiekem van genieten, de juf?
Zou zij thuis niks te vertellen hebben?
En behoefte hebben aan macht.
Als een despoot, een verschrikkelijke tiran.
Een beetje sadistisch zitten te profiteren van de verstikkende zenuwen van kleine kindjes.

Nee, zo is juf Ledelay niet.
Anderen.
Zij niet.
Dus ik ga op de compassievolle tour en ik vraag me af: zou ze misschien vergeetachtig zijn?
Dementerend.
Ik bedoel: ze heeft het verhaal gisteren zelf nog verteld.

Ik kijk naar de vloer, naar mijn schattige, bruine, leren, middenjaren ‘80-schoentjes.
‘Niet doen juf, niet aan mij vragen.
Niet mij uitkiezen.
Ik weet het antwoord niet.
Je ziet toch wel dat ik geen antwoord wil geven?
Dat ik daar geen zin in heb.
Oké, ik weet het antwoord wel, maar ik durf niet, echt niet.’

Ik voel aan alles dat ik niet wil zijn waar ik ben.
Ik wil thuis zijn.
In de woonkamer.
Bij mijn speelgoed.
En bij mama.
Die lapt de ramen.
Boent het huis.
Doet boven de was.
En tot aan de dag van vandaag stelt ze zelden vragen, de schat.
Heerlijk.
Kan ik lekker stil zijn.
Of net doen alsof ik luister.

Ik kijk naar de schoentjes van mijn klasgenoten.
Ik zie de benen van Anske, het eerste meisje op wie ik verliefd ben.
Ik kijk naar haar bloemetjesjurkje.
Haar behoorlijk korte bloemetjesjurkje.

Je hoeft het niet per se te weten, dat weet ik, maar ik ben nooit gemakkelijk met de dames geworden.
Maar ik was er wel vroeg bij.
In mijn fantasiewereld was ik al snel gebiologeerd door het geheimzinnige verhaal van de bloemetjes en de bijtjes.
Over de bijmannetjes.
En over de bijvrouwtjes – ik zou er nog altijd veel willen hebben.
Net als in vroegere bijbelse tijden.
Ik moet het tot aan de dag van vandaag met één doen.
Ja, ik weet het.
Ik heb zo’n zwaar leven.

Ik observeer Anske nog beter.
Ik voel van alles in mijn onderbuik fladderen.
Ik wil haar zo graag een kusje geven.
En ik sta op.
Ik loop op haar af.
Ik sta voor haar stoeltje en ga door de knieën.
Ik buig me naar haar mond toe en verdrink in haar schitterende blauwe ogen.
Op het laatste moment durf ik haar geen kus te geven – ik geef een knuffel en ik stik in haar lange blonde haren.
Dat verbaast me.
En ik vraag me af: hoe komt het dat ik liever verdrink dan stik?

Opeens een stem.

‘David, ik moet het gewoon wel aan jou vragen hè?
Jij weet vast nog wel welke reus David versloeg?’

Ik schrik wakker uit mijn fantasiewereld.
En raak in de war.

‘Eh, welke reus David versloeg?’
Ik denk: maar de réus versloeg David toch niet?

Ik doe mijn wijsvinger in mijn mond, kijk verlegen naar de vloer en ik zeg niks.

‘Toe maar David, dat weet je vast nog wel.’

Ik schud mijn hoofd.

‘David?’

Ik word boos vanbinnen.
Ik kijk vragend naar Anske.
Ze kijkt me aan.
Uitdrukkingsloos.
Ik zie dat ze haar jurkje recht trekt.
Ze neemt het niet voor me op.

‘Weet je het echt niet meer, David?’
Weer de juf.
‘Het rijmt op bubbelbad.’

Ik voel hoe mijn ogen vochtig worden.
Ik kijk naar de juf.
Ze kijkt me verwachtingsvol vol aan.

‘Ja, toe maar.’

‘IK WIL NAAR MAMA TOE-HOE!’

Amen.


Wil je de theaterdominee in het echt meemaken? Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

 

Neuken, en wat krabben aan het kruis

 

Neuken, en wat krabben aan het kruis

‘Ik ben op zoek naar mensen die weinig of niets (meer) hebben met geloof, kerk en de bijbel. Maar die, juist daarom, vaak wel een stevige mening hebben over de oude bijbelverhalen. De Genesis-oerverhalen in dit geval. Wil je met mij in gesprek?’

Een van de reacties op mijn Facebook-oproep triggert mij het meest. Het komt van een vrouw die haar broer tagt. Hij woont in Groningen en, schrijft ze, hij heeft zijn woordje altijd wel klaarliggen. Ik leg Messenger-contact met de man en zo gezegd zo gedaan, we spreken af op het plein voor het Centraal Station, om 12 uur. Na een relaxte zondagse treinreis loop ik het stationsplein op.

Ik zie me daar nog op een bankje zitten. Zitten wachten vooral.

Wanneer ik iemand na een uur op me af zie lopen, denk ik dat het de man van de afspraak is. Ik vraag het hem, en hij bevestigt. Ik wijs hem verontwaardigd op de tijd. Hij maakt geen excuses. Wel steekt hij meteen van wal.

‘Ik ben gisteren naar de hoeren geweest, heb me daarna klem gezopen en niet geslapen.’ Ik ruik dat hij de waarheid vertelt. Hij praat veel, en snel en soms met dubbele tong. Ik denk: dit gaat geen gesprek over Genesis worden. Zal ik het gesprek meteen afkappen en de volgende trein naar huis nemen? Ik besluit dat niet te doen, en laat hem losgaan. Hij vraagt me de hemd van het lijf, van de hak op de tak. Ik luister en geef korte reacties. Zijn jeugd, de kerk, gedachten over God en geloof, zijn familie, zijn scheiding, zijn seksleven. Vooral dat laatste interesseert hem trouwens.

‘Waar ik nou benieuwd naar ben,’ zegt hij, ‘kijk, ik doe het met Marjan en Alleman maar hoe vaak heb jij nou in de afgelopen tijd met je meissie geneukt?’

Ik glimlach, en denk aan een getal. ‘Dat gaat jou niks aan,’ zeg ik. Hij dringt aan en zegt dat ik niet zo preuts moet doen. ‘Ik kan wel merken dat je christelijk bent,’ bijt hij me toe. Ik glimlach, misschien ook wel omdat ik aan de laatste keer denk. Ik zeg in mezelf: ik bepaal zelf wat ik jou wel of niet vertel, ouwe piemel!

Hij ziet er groot, gespierd en beresterk uit. Hij loopt er onverzorgd bij. Slecht gebit. Oude, lange, beige regenjas. Met een lach had hij die zo-even als een potloodventer opengeslagen. Hij had zijn kleren aan, zag ik, dus dat viel mee. Trots wees hij me op de twee blikken halve liters bier, in de zijvakken.

We lopen de binnenstad in. Hij leidt me een Joods museum binnen, en vertelt me er van alles en nog wat over. De grens van waarheid en leugen is volstrekt onduidelijk, en neem ik voor lief. Ik betrap me zelf op een vooroordeel. Want hij is zeker niet dom. Mijn gesprekspartner is streetwise.

En langzaam maar zeker komt hij meer bij zinnen.

 
 

Anderhalf uur later zitten we in een Subway aan een tafeltje. We eten een broodje. Hij vraagt naar mijn mobiel. ‘Ik wil je wat laten zien.’ Samen kijken we naar een beer van een Amerikaan. Een beroemde bankdrukker. Hij kijkt me aan en zegt: ‘Dit is mijn grote voorbeeld, weet je. Hij is zo sterk. Die kerel inspireert mij. Zonder hem zou ik hier niet met jou zitten. Je moet sterk zijn, snap je? Vechten en volhouden.’

En dan voel ik het in me opborrelen. Een soort drang om hem te confronteren. Vanuit de theorie heb ik een idee gekregen wat voor type er voor mij zit. Maar hij is groot. En ijzersterk. Is hij te vertrouwen? Hij slaat me met één klap het ziekenhuis in, zie ik pijnlijk voor me. Is er genoeg vertrouwen in die anderhalf uur opgebouwd? En is dat eigenlijk wel noodzakelijk? Ik kies gauw de kant van de naïviteit – net doen of je gek bent en dat dan ook zijn – en besluit het erin te gooien.

‘Weet je op wie jij lijkt?’
‘Nou?’
‘Op Simson.’
‘Dat meen je niet! Dat was vroeger mijn lievelingsverhaal, man!’
(Er gaat een geluksgolf van adrenaline door me heen. En ik schiet een dankgebedje naar boven.)
Hij zegt: ‘Maar hoezo dan? Waarom lijk ik op Simson, denk jij?’
‘Je bent zo sterk als een beer, en zo geil als boter. Je zoekt je houvast bij een sterke bankdrukker, en je loopt je pik achterna.’

Ik merk dat ik een snaar bij hem raak. ‘Maar ik moet wel. Ik moet gewoon sterk zijn, dat doe ik mijn hele leven al, man. Zo werkt het gewoon.’

Ik knik begripvol. ‘Je weet hoe die Simson aan zijn eindje kwam hè?’ Dat wist hij niet meer. Ik zeg: ‘Zijn kracht werd zijn ondergang. Hij duwt de dragende zuilen van een tempel van hun plek, en die tempel met duizenden feestvierende vijanden stort in. Allemaal dood. Simson zelf ook.’ Hij herinnert zich het verhaal weer. ‘Ja mooi hè?’

Ik vraag hem: ‘Ken jij die andere Simson?’ Hij kijkt me met een frons aan. ‘Is er nog één dan?’ ‘Ken je dat verhaal van de man die alles kon krijgen wat-ie wou, van veel vrouwen de aandacht kreeg en met iedereen het bed kon induiken maar dat naliet? De man die in de kracht van zijn leven zichzelf opoffert, met voorbedachten rade? De man die zich liet afranselen en vermoorden in plaats van het recht in eigen handen te nemen. Het verhaal van een dwaze en absurde Simson. Ken je die man?’

Ik zie dat de man voor me knakt. Twee lange tranen lopen over zijn wangen. ‘Ik weet het’, zegt hij, ‘maar zo makkelijk is het niet voor mij, snap je? Ik moet echt sterk zijn.’ Ik erken, toon begrip, wil niks forceren. Ik luister naar een ijzersterke beer die snikkend naar woorden zoekt, omdat hij vanbinnen gewond is.

Plotseling staat hij op, geeft me een hand (auw!), en zegt: ‘Ik wil je hartelijk bedanken, man.’ Daarna loopt hij me voorbij, richting de deur. Ik kijk achterom en zie hem de eetzaak uitlopen, zijn eigen domein in: de straat.

Ik haal diep adem. Ik sta op en gooi ons afval in de vuilnisbak. Vlak voordat ik de Subway uitloop schiet ik nog een gebedje de hemel in.

PS1. Herken je jezelf in dit verhaal, en wil je hierover met mij in gesprek? Of wil je gewoon je ei kwijt? Neem gerust contact met me op.
PS 2. In de theaters verbind ik de oude bijbelverhalen met de ervaringen en vragen van onze tijd. Daar kun je bij zijn, 26 juni is het eerste theatercollege al, in Amersfoort. Ga naar de shop voor de kaartverkoop!

Goddelijke wijn

 

Goddelijke wijn

Het is veel te lang geleden dat ik aangeschoten of dronken ben geweest. De laatste keer die ik me – uiteraard amper – kan herinneren was na een bruiloft. Iets teveel Coso’s* naar binnen gewerkt. Gelukkig was de feestzaal niet ver van huis. Het lukte me om als een zombie naar huis te zwalken. Liggend in bed dacht ik dat het plafond loszat. Of dat ik in een draaimolen lag. Misselijk als een hond dacht ik nooit in slaap te kunnen vallen. Ook dat lukte toch wel, door een van mijn benen naast mijn bed te laten bungelen. De welkome kou en het directe contact met de grond brachten me naar dromenland. Waar ik een paar uur later met koppijn uit ontwaakte. Ik dacht: *Cola-Sonnema’s zijn verraderlijk. Je proeft hoofdzakelijk cola, maar je gaat ondertussen helemaal naar de rambam.

Nee, doe me dan maar wijn. Daar ben ik nog nooit dronken van geworden. Van wijn geniet ik veel meer. En dat zou wel eens door het woord kunnen komen, denk ik nu. ‘Wijn’, alleen het woord klinkt al mooi. Of je het nu in het Engels (wine), Frans (vin), Duits (Wein), klassiek-Latijn (vinum) of klassiek-Grieks (oinos) zegt.

Grappig trouwens, het woord klinkt bijna overal hetzelfde. Wat een universele gezelligheidsdrank is het toch. Drink wijn, en de grenzen vervagen. (En je zou sommige politici wel een paar kistjes willen bezorgen.) Zorgen verdwijnen. Het feest kan beginnen. We worden één grote familie.

Daarmee krijgt wijn ook iets goddelijks, ontdekte ik toen ik iets las over het klassiek-Hebreeuwse woord voor ‘wijn’. In die bijbeltaal hoor je het Nederlandse woord ‘wijn’ ook al terug. In het Hebreeuws schrijf je oorspronkelijk ‘wajin’, maar het woord werd later geschreven en uitgesproken als ‘jajin’.

Achter die kleine verandering zit natuurlijk een idee. Een verhaal. Een theologietje. Komt-ie:

De ‘w’ van ‘wajin’ is de zesde letter van het Hebreewse alfabet. (Oke, eigenlijk moet ik niet alfabet maar alefbet schrijven, want alfabet is Grieks (alfa, beta) en de eerste twee Hebreeuwse letters zijn alef en bet.) Nu is het zo dat alle letters in het Hebreeuws een betekenis hebben en ergens voor staan. De zesde letter is de waw, en ‘waw’ betekent ‘haak’. De letter staat voor de mens, die de tussenschakel is tussen God en de wereld, een verbindingsfiguur die de schepping dankend verbindt met de schepper. De letter waw ziet er ook uit als een mens: een rechtopstaande streep met een kleiner streepje als hoofd naar voren, naar de toekomst gericht. (Wikipedia-check.)

Die ‘w’ is dus verdwenen uit het Hebreeuwse oerwoord (wajin), en vervangen door een ‘j’ (jajin), de kleinste letter van het Hebreeuwse schrift. En laat die ‘j’ nou de eerste letter zijn van de godsnaam: JaHWeH. Niet de mens maar de godsnaam bepaalt de smaak van de wijn.

Een typisch joodse move. Wijn maakt je los van zorgen, heerlijk. Maar ook zomaar los van jezelf. Met draaimolen-scenario’s als gevolg. Minder prettig.

De bijbel speelt met dat risico. Wijn speelt een grote rol in de bijbelse verhalen. Van de ontdekking inclusief dronkenschap (Noach na de zondvloed) tot Simsons moeder die geen wijn tijdens haar zwangerschap mocht drinken (nog altijd een wijs advies) tot Jezus die de avond voor zijn dood nog een laatste keer van ‘de vrucht van de wijnstok’ met zijn vrienden drinkt. De beroemde scene van het Laatste Avondmaal.

Wijn zonder goddelijkheid is wajin, met de mens (waw) voorop. Wijn met goddelijkheid is jajin. Bij dat laatste staan de Joden stil als ze van de wijn genieten. Daarom danken zij, en zegenen zij de wijn. Ze weten het: Met wajin wekken we alcoholische roes op waarin we ons tijdelijk willen losmaken van de tijd met alle zorg en narigheid. Maar door de dankzegging over de jajin waarbij de daden van Israëls God in herinnering worden gebracht, bevestigen we juist de verbinding met de allerhoogste.

Wijn.
Goddelijke drank.
Waarvoor dank.

PS. Zin in meer leerzame theologie? In mijn theatercollege ‘OMG, stel je eens voor!’ pakken we de oerverhalen uit Genesis aan. Wat kunnen we daar vandaag nog mee?

 

Bakkerspraatje

 

Bakkerspraatje

Woensdagochtend. Hooglanderveen. Naar de Boni. Eten halen voor woensdag en donderdag. Afrekenen. Winkel uit. Meteen oversteken. Naar de lokale bakker. Standaardpakket: 3 volkoren bruin en 1 zak krentenbollen. En zo goed als altijd een praatje, een geintje, een verhaaltje. Ouwehoeren met de bakkersvrouwen, terwijl het brood door de andere gezellige ouwehoer wordt gesneden, achterin het winkeltje. Dat doet ze met zo’n bekend maar ongelooflijk herriemakend en onverwoestbaar apparaat. Zo’n trillende zaagmachine die ik in mijn wilde fantasieën uitermate geschikt vind voor een lugubere moord in mijn niet verkopende misdaadthrillerpocketboek, waarin racisme de verhaallijn bepaalt. Titel: ‘Halfgesneden, bruin of wit?’

Hou ik van. Niet van moorden, wel van ouwehoeren. Deze keer met de vrouw achter de kassa. Ze staat er niet achter. Ze zit op een stoel, linkerbeen gestrekt. Enkel gebroken. Spieren erom afgescheurd. En daarbovenop ook nog een infectie. Oorzaak: een losse stoeptegel. Zegt ze, terwijl ze kassa aanslaat:

‘Jij komt toch uit het noorden?’

Ik kijk achterom naar de vrouw die mijn brood rustig aan het vermoorden is. ‘Hoor je dat?’ vraag ik. ‘Dat is toch een belediging?’

De kassavrouw: ‘Niet dan? Je bent zeker een Fries?’

Ik zeg dat ik dat wel vaker krijg te horen, maar dat ik niet kan schaatsen en dat ik niet weet hoe ik fierljeppen moet schrijven. En dat mensen soms denken dat ik uit Twente kom. En dat ik uit Spakenburg kom.

‘O ja, uit Spakenburg? Dat is gek, want we hebben hier wel eens iemand uit dat dorp werken maar die praat echt anders dan jij.’

Ik begin plat-Spakenburgs te praten, of iets dat op dat dialect lijkt.

‘Nou hoor ik het ja.’

Ik zeg: ‘Ik zal de tongval nooit afleren, denk ik. En ik dacht nog wel dat ik dat moest. Ik ben namelijk dominee geweest.’

‘Ben jij dominee geweest?’ Ze valt bijna van haar stoel af, en kijkt me met grote ogen aan?

‘Is dat zo raar dan? vraag ik.

‘Maar je ziet er helemaal niet uit als een dominee. En je praat niet als een dominee.’

‘Nee’, zeg ik, ‘ik praat met een Spakenburgse tongval. Maar ik kan wel een dominee nadoen hoor, zoals jij die waarschijnlijk voor je ziet.’ Ik zet een pastoraal gezicht op (gezicht iets schuin, ogen toegeknepen), zet mijn handen met hun vingertoppen op elkaar voor mijn middenrif, en zeg: ‘Ik kan me voorstellen dat een dergelijke lelijke enkelbreuk zomaar enkele onbeantwoorde levensvragen bij je zou kunnen oproepen.’

‘Maar nu ben je geen dominee meer?’ vraagt ze.

‘Nee,’ zeg ik. ‘Nou ja, eigenlijk wel. Alleen ben ik nu theaterdominee.’

‘Wat is dat dan?’ Bijna valt ze weer.

Ik leg uit dat ik met de bijbelverhalen het theater inga. Dat ik die ga uitleggen enzo. En dat ik liedjes zing. En gedichten voordraag. En dat ik begin in het theater van Vathorst. Zij vertelt dat ze joods is. En dat ze niet gelooft dat de wereld door een meneer in de hemel is gemaakt.

Ik glimlach. ‘Ik denk ook niet door een meneer.’

‘Maar ook niet door een vrouw’, haast ze zich te zeggen. ‘Maar leuk man, ik kom naar je theater toe, hoor.’

Ik glimlach nog breder en open de deur van de winkel, vlak naast de kassa. ‘Wat een ontzettend leuke en lieve en gezellige vrouw’, denk ik als ik naar buiten loop.

Maar – toch altijd even een innerlijke check – ze is niet mijn type. Ik vraag me af waarom niet. Ik kom er niet uit, en laat het lopen. Vind het ook niet belangrijk.

Ik loop naar mijn auto, open het portier, zet de broodtas op de bijrijdersstoel. En opeens weet ik het.

Ze is geen moordvrouw!

Wil je de theaterdominee in theater of kerk meemaken? Kijk hier waar hij zijn theatercolleges geeft en reserveer je ticket(s)!

Twee-eenheidsgeesten

Twee-eenheidsgeesten

Een mentor en zijn trouwe maat
kregen het eens goed te kwaad.
Een bange zoon, een boze pa,
zie daar Baudet en Hiddema.

Een mentor en zijn trouwe maat:
advocaat, aristocraat.
Ze gingen in twee-eenheidsgeest
voor een groots verkiezingsfeest.

De mentor gaf zijn trouwe maat

een slimme, politieke raad:
‘Je woede moet je laten zien,
je angst laat je bij “Carolien”.’

De mentor stak zijn trouwe maat
strak in pak, gelikt gewaad:
‘Je laat je zien aan heel het land?
Verpak dan mooi je binnenkant.’

De mentor liet zijn trouwe maat
geloven in een nieuwe staat:
‘Wil je op jouw greep mijn zegen?

Sta voor jezelf, en anderen tegen.’

De mentor en zijn trouwe maat
werden hierdoor inderdaad
door andere bangen, door andere bozen
tot grootsten van het land gekozen.

Ook ik ben heel vaak boos en bang.
Soms wel dagen, weken lang.
Dan roep of huil ik hard of zacht:
‘En nú de beste aan de macht!’

Ik geloof dan niet in de twee-eenheid
van de mentor en zijn maat.
Die houden van verkiezingsfeest
vanuit een kern, gezonde geest.

[Geïnspireerd op een passage uit een brief van Paulus aan de gelovigen in Efeze, vooral de verzen 4 en 9-10.]

 

Intiem gesprek

Intiem gesprek

Soms voer je een goed en intiem gesprek. Dat je denkt: ‘Zo zeg, dat is intiem. Dat ga ik eens even lekker met de buitenwereld delen.’ Deze keer begon mijn innerlijke vader er mee. Zomaar, ineens en vanuit het stille niets zei hij tegen de jongen in mij:

‘Positief praten over God levert tegenwoordig hetzelfde resultaat op als positief praten over de PVV.’

‘Oh, is dat zo?’

‘Ja. Je komt meteen in het verdachtenbankje terecht.’

‘Eh ja, en dus..?’

‘…kunnen we God misschien maar beter vervangen door een crimineel. Die blijft sowieso verdacht. Dat we God bijvoorbeeld vervangen door bekende criminelen als Cees H. of Willem H.
Of door een andere Heek.’

‘Maar klopt dat wel, pa? Ik bedoel: mijn generatiegenoten vinden het volgens mij helemaal niet verdacht als er over God wordt gepraat. Oké, soms ontstaat dat idee. Als er in godsnaam wordt gedwongen of gemanipuleerd ofzoiets. Maar het punt is meer dat God als onbelangrijk en irrelevant wordt beschouwd. God heeft voor veel van onze tijdgenoten geen zin, geen betekenis en geen nut.’

‘Oh’, zegt mijn pa, ‘dan stel ik voor om God dan toch maar te blijven vergelijken met de PVV.’

‘Maar pa, volgens mij wil je wat anders zeggen, of niet?’

‘Haha, je kent me te goed, jongen. Ik zit inderdaad ergens anders mee. Ik heb de laatste tijd namelijk eens even goed nagedacht. Kijk, het wordt dan zelden of nooit gedaan, maar áls er dan over God wordt gepraat, spreken die woorden ons vaak niet meer aan.’

‘Dat herken ik’, zeg ik meteen. ‘En hoe komt dat dan, pa?’, vraag ik. ‘Je hebt goed nagedacht zeg je.’

‘Dat komt door jou en mij.’ Ik zie mijn vader een schuldbewust gezicht trekken. Je weet wel, zo’n gezicht waar wij, gemiddelde volwassen mannen, bekend om staan. Mooi is dat. Kwetsbaar ook. Dat we de ander aankijken en zwijgend smeken om zijn of haar vergeving. Omdat we het weten: je bent dan wel een man, je blijft natuurlijk ook mens.’

‘Het komt door jou en mij dat God ons niet meer aanspreekt? Hoezo?’, vraag ik. Ik sta verbaasd. Daarom ga ik nieuwsgierig weer zitten.

Mijn vader buigt zich naar mij toe, raakt mijn buik aan en kijkt me net iets te lang en te diep in de ogen. Hij lijkt iets belangrijks te willen zeggen. ‘Wat voel jij bij God? Bij het woord? Bij het denken erover? In de stilte van die overdenking?’

Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog. ‘Wat ik voel bij God? Nou, niets. Na al die jaren eigenlijk helemaal niets.’

‘Ik ook niet’, zegt mijn vader. ‘Lange tijd voelde ik er helemaal niets bij. En ik denk dat jij er daarom ook helemaal niets bij voelt. Ik heb het je niet aangeleerd, ik weet ook niet hoe dat moet, en ik vraag me af of ik het je wel kan of moet leren.’

‘Nou, lekker is dat dan,’ reageer ik snel. ‘En nu? Gaan we nu sentimenteel doen. Moet ik God nu gaan voelen en ervaren dan? In hem opgaan enzo. In de flow en de extase. Dat vertik ik, als je dat meer weet.’

‘God is geen vogel die je hoeft te  vangen. Hij is geen sfeer die je moet binnengaan door uit jezelf te treden of in extase te raken – al is die ruimte er volgens mij zeker. Maar vertel jij me nou eens. Wanneer heb jij nou voor het laatst ‘God’ aan- of uitgeroepen?’

Ik denk na en spoel mezelf wat terug in het recente verleden. ‘Dat weet ik echt niet meer.’ Onwetend trek ik nogmaals mijn wenkbrauwen op. ‘Dat is een goeie vraag, pa.’ En dan schiet het me opeens te binnen. En moet ik wat onzeker glimlachen. Ik  zeg: ‘Wil je dat echt weten, pa? Ik twijfel eraan of je dat wel wil horen…’

‘We kunnen elkaar vertrouwen, toch?’

‘Nou, oké dan. Ik riep ‘God’ voor het laatst aan in bed.’

‘Ja, precies. Tijdens een meditatie. Of toen je aan het bidden was.’

‘Nou, het gebeurde eigenlijk in het slotstuk van een vrijpartij met je schoondochter. Tijdens de apotheose riep ik toen iets van: ‘Oh, mijn Gòòòòòòòò…’

Ik zie mijn vader schrikken. Daarna houdt hij het niet meer. Hij lacht zichzelf zelfs zo krom dat ik bang ben dat hij knapt. Als hij is uitgeschuddebuikt zegt hij: ‘Weet je trouwens wat ‘apotheose’ betekent?

‘Jaja, zeker. Dat begrip komt uit de oude Griekse heldenverhalen. Apotheose schijnt iets te betekenen als: een verheffing van de mens tot God. Zo’n figuur als Alexander de Grote kreeg bijvoorbeeld ook de status van god toebedeeld.

‘Dus jij riep God aan, toen je… Nou, dan heeft God kennelijk toch iets met extase te maken.’

We kijken elkaar aan. Een tijdlang knikken we als twee jojo’s naar elkaar. We lijken overduidelijk dezelfde ervaringen te delen. Ik houd me in om in dit verband geen voorspelbare woordgrap met ‘extase’ te maken, en ik baal ervan dat ik nogal visueel ben ingesteld en het echtelijk bed van mijn ouders voor me zie. Gelukkig helpt mijn vader me al snel uit die droom:

‘En toch denk ik dat we ons hiermee nog op de oppervlakte bevinden. Zeker, tijdens een orgasme of op momenten dat de schrik ons overvalt (ik moet opeens denken aan de paniek in de ogen en het geschreeuw van vluchtende Amerikanen tijdens het instorten van de Twin Towers:) of als we bijvoorbeeld worden overweldigd door de ultieme schoonheid van de natuur, dan roepen we zomaar God aan. Bewust of onbewust. O(h)M(y)G(od)! Maar dat is alleen nog maar oppervlakte, een impuls, een religieus stopwoord, een ondoordachte explosie van verrukking of ontzetting.’

Ik vraag: ‘Dus op zulke momenten verbinden we ons niet echt met God, bedoel je?’

‘Nou,’ antwoordt mijn vader, ‘laten we zeggen dat we op zijn hoogst de aandacht van God trekken. Even snel en kort en krachtig. Waar hij vervolgens nooit op ingaat.’

‘Want?’ vraag ik.

‘Ik denk dat God een geheim is dat je pas kunt kennen en voelen wanneer we ons diep met onszelf verbinden. Wanneer we in onze kern komen. In het hart achter ons hart. En dat kan nooit een snel en vluchtig proces zijn.’

Ik hoor de woorden van mijn vader aan. ‘Ik begrijp het volgens mij niet echt’, stamel ik.

Mijn vader legt zijn arm op mijn schouder. ‘Dat maakt niet uit. Je begrijpt het niet. En ik wens ons allebei toe dat we het nooit zullen begrijpen. Op het moment dat we het begrijpen, zijn we niet alleen God kwijtgeraakt, maar zijn we ook los van onszelf gekomen. Het is misschien wel de kwaal van onze tijd. We zitten in ons hoofd, in de kennis, in de concepten, in de analyses. Of het nou voetbal- of Nieuwsuur- of terrorismedreiging-analyses zijn: alles moet en zal worden worden verklaard. We zitten volstrekt hopeloos in onze kop. Een gigantische polonaise van westerse mensen is het contact met het gevoel kwijt. En de intellectuele elite leidt de dans. Je herkent ze heel gemakkelijk. Ze trekken veel aandacht. Veel stemmen. En uiteindelijk aan het kortste eind.’

‘En wat als ik God nou nooit vind, op die manier dat je diep met jezelf verbonden bent, zoals jij dat noemt?’ vraag ik.

‘Dan zij dat zo. Wat kome, komt.
Volg in ieder geval de weg die naar je innerlijkheid, die naar je hart leidt.’

‘Welke weg is dat dan, pa?’

‘De weg van de wijsheid, jongen.
Kijk, zoals je weet kennen we allerlei soorten universele krachten, waaraan we zijn overgeleverd.
De zwaartekracht.
Zonnekracht.
Waterkracht.
Atoomkracht.
Denkkracht.
Geneeskracht.
Allemaal krachten die we niet zien, maar die wel werken.
Oke, er is één uitzondering.’

‘O ja?’

‘De vakantiekracht.
Die zie je wel, maar die werkt niet.
Maar we zijn overgeleverd aan die andere krachten.
Die we kunnen tarten, maar niet kunnen uitschakelen. We moeten ze gewoonweg gehoorzamen.
Zo ook met de kracht van de wijsheid. In de taal van Israël ‘GOGMA’ genoemd, waar het woord ‘goochem’ en ‘goochemerd’ van afgeleid is. Weet je, aan die universele, onzichtbare, creatieve en morele kracht moeten we ons houden. Anders gaat het waarschijnlijk vroeg of – als je pech hebt – laat mis.’

‘Oké’, zeg ik met grote ogen. Maar hoe houd ik me dan aan die universele wet?’

‘Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet, houd in je hart mijn richtlijnen vast. Ze vermeerderen de dagen van je leven, geven je vele jaren van geluk. Mogen liefde en trouw je nooit verlaten, wind ze om je hals, schrijf ze in je hart. God en de mensen zullen je genegen zijn en je zult waardering ondervinden.’

‘En als ik dat doe, vind ik dan God?’

‘Je zult het hart achter je hart vroeg of laat horen kloppen.’

Plotseling begin ik er wat genoeg van te krijgen. Ik voel iets van onrust en zelfs boosheid na deze cryptische taal in mezelf opwellen. ‘En als ik hier geen zin in heb, pa?’ zeg ik gepikeerd. ‘Ik weet het niet hoor, maar wat als ik gewoon mijn eigen leven wil leiden? Wat als ik dat hart achter mijn hart helemaal niet wil vinden?’

‘Waar een weg is, kan ook een wil ontstaan. Mensen kunnen vaak meer dan ze denken, en willen vaak meer dan ze laten zien.’

‘Dus je vindt dat ik nu meteen al die zogenaamde weg van die zogenaamde wijsheid moet gaan lopen? Of vinden. Of weet ik veel wat ik moet doen.’

‘God forceert niet, jongen. Nooit. Hij lokt.’

Dan ontplof ik. ‘Ja Jezus zeg! Ik ben christus niet! Zie ik eruit als een heilige?’

Mijn vader glimlacht, knijpt zijn ogen samen en legt zijn grote hand op mijn knie: ‘Rustig, jongen. Ook ik ben christus niet. Maar wie of wat we niet zijn, kunnen we natuurlijk nog wel worden.’

‘Ja ja,’zeg ik en ik maan me zelf tot rust. ‘Dus eigenlijk zeg je dat we een soort PVV kunnen worden.’

Mijn vader kijkt me vol ongeloof aan. ‘Wat zeg je nou? Volgens mij heb je me niet zo…’

‘Ja echt, eigenlijk zeg je dat we onszelf een soort PVV-levenshouding moeten aanmeten’, zeg ik.

‘P-V-V’, herhaalt mijn vader langzaam en hoogst verbaasd. Wat bedoel je daar nou mee te zeggen, jongen?’

‘PlaatsVervangende Voeling, pa.’

 

‘Niks aan te doen?’

 

Een open brief gedicht aan Howick en Lili (en onze twee hooggeachte Marken)

Lieve Howick en Lili,

Ik kan helemaal niks voor jullie doen.
Laat ik in mijn onmacht met mezelf beginnen.
Ik zou onze woonplaats wel willen klonen,
dat jullie weggestuurd toch dichtbij blijven wonen.
Ik pers uit mijn hart slechts deze zinnen.
(Shit man.)
Nee.
Ik kan helemaal niks voor jullie doen.

Hij kan helemaal niks voor jullie doen.
Al heet hij Mark en mag hij dit land leiden.
Het vaakst houdt hij zich uit noodzaak stil
en voert hij uit wat de meerderheid wil.
Kun je jezelf van dat beleid bevrijden?
(Ja hoor.)
Nee.
Hij kan helemaal niks voor jullie doen.

Wij kunnen helemaal niks voor jullie doen.
Al zijn we medelanders van wie de harten bloeden.
We zouden jullie zo graag thuis willen houden.
En dus in Den Haag wel huis willen houden.
Maar geweld, dat is niks voor de lieven en goeden.
(Echt niet?)
Nee.
We kunnen helemaal niks voor jullie doen.

Maar hij kan echt alles voor jullie doen!
Die andere Mark, hij kan harten veroveren.
Hij kan van recht verwondering maken.
En jullie levens uitzonderlijk raken.
Hij kan – weet hij – bovenmenselijk toveren.
(Is hij God?)
Nee.
Maar hij kan echt alles voor jullie doen!