Wat God (en ons?) woedend maakt

 

Wat God (en ons?) woedend maakt

Ik ken het verhaal van Jezus van Nazaret.
Ik weet wat hij heeft gezegd.
En wat hij heeft gedaan.
Niet dat ik alles begrijp wat hij zegt. Dat is ook echt lastig, alleen al door de 2000 jaar kloof tussen zijn en mijn tijd, zijn taal en mijn taal. Maar ook omdat ik bij mezelf merk dat ik echt ouder moet worden om meer van de bedoeling mee te maken. Zijn waarheid, die ons naar eigen zeggen bevrijdt, gaat zo diep. Net als zijn liefde, die ‘extreem’ wordt genoemd. Weer eens wat anders dan extreem-rechts of -links trouwens. Extreem-liefdevol.

Gelukkig maakt het niet uit of ik alles begrijp.
God en het leven geven ons de tijd om te groeien en ons daarin te ontwikkelen.

Maar Jezus is wel mijn ankerpunt.
En ik ben daar maar wat blij mee.
Bijvoorbeeld als het om woede gaat. Dat is toch wel een dingetje nu. Met woedende klimaatactivisten (passieve agressiviteit) en woedende boeren (actieve agressiviteit). Sowieso heb ik het idee dat we snel boos zijn. Op het weer, op het verkeer, en op de Heer. Op de kerk. Op de voetbalclub. Op de politiek. Op ons werk. Op onze wereldleiders. Op onze al dan niet allochtone medemens. En misschien ook wel op onszelf. We voelen ons snel gestresst. Of we halen voor ons gevoel niet alles uit het leven wat erin zit.

Jezus kan ons helpen.
Om ons te focussen op wat hem woedend maakt. Ik geloof namelijk dat wat Jezus woedend maakt, ook datgene is wat God woedend maakt.

En weet je wat me dan als eerste opvalt?

Jezus wordt nooit woedend op onze persoonlijke fouten.
Echt nergens en nooit.
Als je steelt.
Als je vreemdgaat.
Als je liegt.
Als je iets wilt hebben dat een ander al heeft.
Zelf niet als je iemand zou doodslaan.

Kortom, als we de beroemde Tien Geboden overtreden, wordt Jezus niet woedend. Hij veroordeelt het gedrag wel, en duidelijk ook, maar woedend zal hij niet op ons zijn. Zo kleinburgerlijk is God niet. Alsof hij wel aanvoelt dat het volstrekt logisch is dat we persoonlijke fouten maken. Een open deur. We zijn mens. En iedereen moet worden opgevoed. De tien geboden zijn niets anders dan de eerste tien regels die papa en mama hun kind meegeven. Regel 11 kon er net niet meer bij: ‘Niet met je vinger in het stopcontact.’ Maar ja, tien van die regeltjes vinden we in de praktijk natuurlijk al zwaar zat. En je moet kinderen ook niet overvoeren. Bovendien: ‘niet’ communiceert niet. ‘Denk niet aan een paarse olifant – en wat doe je dan?’ Dat krijgen we vaak ook al gauw genoeg door. Of in de woorden van Paulus: ‘Dat wat ik niet wil doen, dat doe ik juist.’ Het is Paulus’ onontkoombare en gekmakende ontdekking van de paarse olifant. Kinderen doen hun vingers nog per ongeluk in het stopcontact. We doen het expres als we volwassen zijn geworden.
Och, arme wij.

Ik denk dat het bij God zo werkt: onze fouten roepen eerder zijn medelijden op dan zijn woede. Eerder zijn lach dan zijn boosheid. ‘Wat drijft de volken? Wat is de waanzin die ze uitvoeren? […] God lacht om hen.’ (Psalm 2)

Jezus is niet vaak boos. En als hij het is, dan is het altijd een mix. Een mengeling van verdriet en woede, waarin verdriet de diepste laag lijkt te zijn. Die diepste laag is ook nodig, denk ik. Om je uitzinnige woede toch ook te kunnen beheersen. Om het zeker een krachtige woede te laten zijn (ingehouden woede is geen woede), maar tegelijk ook een zachte kracht. Dat je ergens voelt dat de woede niet op zichzelf staat. Geen impuls is. Maar gedragen wordt door intens verdriet, omdat de goede zaak niet meer wordt gediend of verdedigd.

Er staat ergens dat Jezus de religieuze leiders in zijn tijd ‘verdrietig en boos’ aankeek, omdat hij op de heilige rustdag iets doet wat verboden was: een medemens genezen. Hoe doe je dat? Hoe kun je zo kijken? vraag ik me af. Ik denk dat we hier een man zien die zowel verbonden is met zichzelf als met de mensen om zich heen. Een kunst apart, die wij zomaar misverstaan. Of we zijn verdrietig en verbitterd, of we smijten onze woede er uit, op iets of iemand. We kunnen niet meer naar het journaal kijken, of we rammen er met onze trekkers op los.

Een situatie waarin Jezus alleen maar woedend lijkt te zijn, is zijn confrontatie met de verkopers op het tempelplein. Een gebeurtenis die zomaar door gelovigen kan worden gebruikt om hard en lomp handelen te rechtvaardigen. Vaak wordt hier vergeten dat de bijbelschrijvers deze gebeurtenis koppelden aan Psalm 69 waar staat dat het de hartstocht voor Gods huis is die de dichter verteert. In die hartstocht zien we andermaal die diepere laag. Hartstocht is meer dan blinde woede. Hartstocht is volgens mij een mix van kunnen liefhebben en kunnen lijden. En dat in jezelf voelen kolken. Ook dúrven voelen kolken En dat kunnen inzetten. Ook als je terecht boos bent.

Want woedend was Jezus. Dat roept de vraag op: wanneer wordt Jezus (en God, geloof ik) woedend? En wat maakt ons, met inbegrip van verdriet, woedend?

Als je God, in het openbaar, gebruikt voor je eigen zaak. Voor je eigen land. Voor je eigen partij of groep. Voor je eigen broekzak. Als je jezelf altijd als ‘binnen’ ziet, en de rest als ‘buitenstaanders’ – en dat idee op de een of andere manier uitbuit. Commercieel. Sociaal. Seksueel. God (en de extreme liefde) is er voor iedereen. Je kunt God niet als je bezit toe-eigenen, als dat voor jou betekent dat hij niet meer vrij toegankelijk voor anderen is. God is de zee. Wij zijn de vissen. Niet andersom. Niemand kan God vangen, en doorverkopen aan anderen. Dat idee vermoordt de liefde, en maakt van de liefde een ‘rovershol’ (waar enkelingen van profiteren) in plaats van een ‘gebedshuis’ (waarvan we allemaal profiteren omdat we op hetzelfde gericht zijn).

– Dient jouw kerk de liefde? Is ze gericht op alles en iedereen, en kent ze iedereen evenveel waarde toe? En aan de andere kant: schiet jouw kerk niet door? Wordt de liefde zoetig en pijnvermijdend?
– Welke mensen of zaken passen (nog) niet in jouw ‘godsdienst’ of ‘liefdespakket’? Wie of wat sluit jij (nog) buiten? Waar heb je (nog) geen oog voor? Van wie of wat wil je niet langer meer profiteren?

Een dromerige Theorie van Alles

Een dromerige Theorie van Alles

Het was weer zover. Ik lag gisteren weer eens halfwakker tussen 4.00 en 7.00 uur. Zoals ik dat ook had op de de vroege ochtend voordat ik opstond als theaterdominee. Heerlijk doezelen is dat, waarin ik dagschemerdroom. De vorige dag ligt achter me en is verwerkt, de nieuwe dag heeft mijn geest nog niet gevuld. Het vat is nog leeg. En dan kan er van alles gebeuren.

Ik droomde deze keer maar eens een Theorie van Alles. Precies. Rustig aan. En niet te gek. Niet dat het waar hoeft te zijn wat je in dit blog allemaal gaat lezen, maar het euforische en gelukzalige gevoel dat ik beleefde, was heerlijk. Ik zou willen dat ik dat gevoel in dit verhaal kon laten meekomen.

Dit was mijn droom, waaraan ik ter plekke – ik lag toch al plat – allerlei bijbelgedeelten koppelde. Volg gerust de links.

 
 

Ik liep rond in een wereld waarin alles ‘lucht en leegte’ was. Dat kende ik uit het bijbelboek Prediker. Het is daar de eerste zin van een vrij deprimerend filosofisch boekje waarin Meneer Prediker alles maar vluchtig voorbij ziet gaan. Als ademtochten. Constante zuchten wind. Niks heeft zin. Alles is doelloos. Iedereen ondergaat hetzelfde lot. Of je nu rijk of arm bent. Wijs of dwaas. Het maakt niet uit. Geniet dus van drank, het goede en je levenspartner, en heb diep respect voor JHWH, de Heer, de Ene, de Aanwezige.

Ik hoorde Herman van Veen zingen.

Alles doet ertoe
Alles, alles doet ertoe
Ook wat er niet toe doet

dat doet ertoe.

Nou, daar kijkt Prediker – meneer De Dominee noem ik hem maar –  dus wel wat anders tegenaan.
Alles doet ertoe?
Alles is lucht en nog eens lucht. (Om mijn eigen vertaling maar eens te gebruiken. En geparafraseerd is het misschien wel geinig om het boekje te beginnen met: ‘Gebakken lucht, zegt de Dominee, alles is gebakken lucht!’)

Maar ik dwaal af, wat natuurlijk altijd in een droom gebeurt.

Ik loop dus rond met de gedachte dat alles om me heen lucht en leegte is.
Totdat ik opeens stilsta. En ik zeg tegen mezelf: ‘David, dat is helemaal geen filosofische gedachte! Je moet die openingswoorden niet figuurlijk zien. Het is de waarheid! De realiteit! De werkelijkheid! Alles is echt lucht. En adem. En ademtocht. Letterlijk! Overal om me heen is lucht. Ik leef in een lucht-bubbel. Dag in dag uit.

Meteen word ik kleiner. Er wordt uitgezoomd. De droom gebruikt een drone. Ik vlieg omhoog en zie dat de hele mensheid in de luchtbubbel leeft. Sterker nog, ik zie dat we met z’n allen in een blauwe ballon leven. De ballon omvat de tijd en de geschiedenis. Ik zie de huid van de ballon, omdat ik op de een of andere manier met de drone door de dunne huid vlieg. Ik noem die huid net als op de tweede dag in het scheppingsverhaal ‘de hemel’.

De drone vliegt nog hoger. Ik zie het tuitje van de ballon, de opening zit links. En ik zie lippen om het tuitje. Vervolgens zie ik wangen die zich vullen en legen. Heel langzaam. Supertraag. De ballon wordt continu van lucht voorzien, en er wordt continue lucht weggenomen. Ik voel dat er voorzichtig leven gegeven en leven genomen wordt. Ik hoor de ademhaling. Ik luister goed. In de trage in- en uitademing hoor ik de godsnaam. Jaaaaaaa…wèèèè. Met een hele zachte j en hele zachte w, waarbij onze zachte g een schreeuw lijkt. Echt veel zachter. Onhoorbaar bijna. En met heel veel lucht.

Tuurlijk. Alles is lucht.

Ik zoom weer in, ga de ballon weer in. Ik zie iemand lopen. Hij heeft vrolijke, gekleurde kleren aan. Ook heeft hij ballonnen in zijn hand, en een air om zich heen die vooral kinderen aantrekt. Hij hangt overal ballonnen op. Aan boomtakken, huisdeuren, schuttingen, lantaarnpalen, autospiegels, noem maar op. Het zijn blauwe ballonnen. Ik hoor niet wat hij allemaal zegt. Hij lacht, maar zijn lichaam verraadt zijn verleden. Ik zie een gebochelde rug. Ik weet dat het Jezus is. Ik hoor een liedje. Ik ken het. Hij was maar een clown. Bij de zin ‘Maar nu is hij dood’ moet de clown glimlachen, en laat hij zijn handen zien. Hij zwaait naar me. En ‘bij de herinnering blijft’ begint hij te dansen. Kinderen doen met hem mee. Ik voel me gelukkig.

Ik zoom weer uit. Ik zie de Grote Blauwe Ballon weer. Ik denk aan een boek dat ik gelezen heb. ‘Het Christus Mysterie’ van Richard Rohr. Ik verwerk een passage in mijn droom. Over een uitdijend heelal. Over het einde van de uitdijing. Over de zogenaamde ‘Big Crunch’, waarvan sommige natuurkundigen zeggen dat die in een ondeelbaar ogenblik plaatsvindt. Niet explosief en allesvernietigend, maar implosief en alles in zich opnemend.  Een uitspraak van de beroemdste theoloog lijkt daarbij te passen. Paulus heeft het ook over een on-deelbaar ogenblik: a-tomos. Een implosieve atoomklap?

Ik schrik. De ballon knapt. Er blijft niks over dan een slap velletje. En lucht. Alles is nog steeds lucht.

Ik kijk naar het velletje.
Het ligt op twee megagrote handen die in een kommetje tegen elkaar aan liggen.
Ik pak het velletje op.
Ik kijk om me heen. Aan wie kan ik het geven? Ik kijk naar boven. Ik zie niemand. Wat nu?

Met de slappe ballon in mijn hand voel ik me tot mijn verbazing gelukkig.
Niet alleen of eenzaam, maar vervuld.
Het is goed. Dat ademt alles hier.

Ik haal maar eens adem.
Diep adem.
Ik voel mijn borst uitzetten.
Mijn longen, die zich langzaam vullen.
En weer legen.
Ik moet om mezelf lachen, omdat ik denk dat ik blauwe longen heb.

In de verte hoor ik geluiden.
Heel veel geluiden.
Dan zie ik beweging.
Een schim.
Er loopt iemand op me af.

Hij komt steeds dichterbij.
Hij zwaait naar me.
Ik focus op die handen.
Als hij dichterbij gekomen is, valt het me op dat hij naar zijn gezicht wijst.

Ik zie een hele grote, dikke, rode neus.

Ik begin te huilen.

Daarna word ik van blijdschap wakker.

Een dag later denk ik: ‘David, focus niet op die uiteindelijke implosie van het heelal. Laat de tijd zijn gang gaan. Weet je gedragen, waar de tijd zich ook bevindt. Maar jij, speel! Speel elke dag in de geest van de clown. Met een lach, met een traan. Omdat voor alles een tijd is (dankjewel, Meneer de Dominee!).
Speel. Speel met voorkennis. Je weet dat het om die tijd gaat (dankjewel, Mijnheer de Dominee!).

Je bent wat je (w)eet

Je bent wat je weet

Het zal het kind in me zijn, dat never nooit dood mag gaan. Als ik het voorbij zie komen, móet ik er gewoon naar kijken. Het laat me altijd lachen.

‘Bamibal!
Zak patat!
Frikandel!
[pauze]
Kroket!’

Die man, Paul van Gorcum heet-ie, de baron, verdient alsnog een ouevreprijs. Of beter misschien: een Gouden Kalf. Eventueel uitgebreid tot kalfsworst. Bekt net nog wat lekkerder. En past prima in het rijtje.
Van die gefrituurde scheldwoorden. Heerlijk. Lekker veilig en onschuldig ook.

Een van mijn broers had er ook altijd één paraat. Als hij een voetballer een grote kans zag missen, in de krant las dat een plaatsgenoot in de haven was gefietst, een organist in de kerk een psalmcouplet vergat te spelen, of als ik, zijn kleinere broer, weer eens een glas cola op tafel omstootte… dan hoorde je hem roepen: ‘Wat een balgehakt-op-wielen!’

Ik zie dat dan ook meteen voor me.
Of het nou een nasi-, bami- of een gehaktbal is.
Al dan niet op wielen.
Je bént het dan ook meteen.

En dat, lieve vriendjes en vriendinnetjes, wordt nou bedoeld met… mystiek.

 
 

Mystiek klinkt natuurlijk wel wat, eh, mysterieus hè? Het heeft iets vaags. Misschien heb je er helemaal niks mee. Wil je duidelijkheid, helderheid en ‘weten waar je aan toe bent’.

Dan geloof ik je niet. Sorry. Echt. Je bent namelijk gek op mystiek. En je kunt niet zonder. En je wilt niet zonder. Of je moet van een humorloos leven houden. Dat kan. Maar ook dan geloof ik je niet.

Jezus van Nazaret zei ooit: ‘Gelukkig ben je als je huilt.’ Want die mensen zullen worden getroost. En het mag bekend zijn: wie echt kan huilen kan ook echt lachen. Na een goede huilbui een goeie grap maken of horen, werkt enorm troostend en bevrijdend. De combi is trouwens ook heerlijk. Dat je huilt van het lachen.

Mystiek werkt vroeg of laat op de huil- en lachspieren.

De baron met zijn scheldwoorden is er een simpel voorbeeld van. Maar neem nou eens zoiets als de eucharistie of het avondmaal. Ook zo’n mystiek gebeuren. En ook met eten.

Je moet even weten dat ik nogal serieus met dit mooie kerkelijke ritueel ben opgegroeid. Logisch, want het werd en wordt het ‘heilig avondmaal’ genoemd. Een prima term, maar in de kerkelijke traditie kan heiligheid nog al eens worden verward met serieusheid, strakheid, formaliteit, beleefdheid en soms zelfs nervositeit. Nou ja, verward? Misschien is versmald een beter woord. Ongetwijfeld ongewild. Maar ook ongetwijfeld on-gevoeld.

Wat woorden in een kerkelijke of religieuze context opeens kunnen doen. Ook een woord als heiligheid. Niemand denkt bij zijn of haar ‘heilige koe’ aan serieus, strak, formeel, beleefd of nerveus gedoe. Eerder aan trots, koestering en (rij)plezier. Natuurlijk ga je serieus met je auto om, maar die ernst bepaalt niet de heiligheid ervan.

‘Dit is mijn lichaam’, zegt de messias. En hij breekt een stuk brood, en deelt uit.
‘Dit is mijn bloed’. Een beker wijn gaat even later de groep leerlingen rond.

Superserieus natuurlijk. Deze heilige handelingen van de man die naar eigen zeggen alle macht in hemel en op aarde heeft. Maar in die joodse cultuur van toen is dit voor hen bekende maar vernieuwde ritueel vooral shocking.

Dat je de beroemde uittocht uit Egypte aan een eet-ritueel verbindt, is goed mee te maken. In meerdere menu-gangen wordt dat mooi gesymboliseerd (waarom moet het christelijk avondmaal altijd maar één gangetje hebben?). Eten speelt in dat oude uittochtverhaal zelf een grote rol. Maar wat gebeurt hier? Nu maakt de rabbi van zijn eigen verhaal een symbool. En net zo tastbaar. Voelbaar. Om letterlijk op te kauwen. En te proeven. En door te slikken (of om wat voor reden dan ook uit te spugen).

Een absurde actie. Moet je even voorstellen dat iemand uit eigen beweging onze nationale bevrijdingsdag op 5 mei niet langer toespitst op de gevallen oorlogsslachtoffers, maar op zijn eigen bevrijdingsacties. Wie denk je wel dat je bent?

En op een andere manier is wat Jezus doet ook absurd. Maar dan voor gelovigen die in een traditie leven. Ik bedoel: je kunt het verhaal en de persoon van de god-mens toch niet zomaar verkleinen tot een stukje matze of witbrood? God in een stukje brood? Dat is godslasterlijk. Hoe klein kun je de Allerhoogste maken?!

En come on, eten! Een stukje brood eten! Dat is wel heel simpel. Geloven is toch iets van ‘dingen zeker weten en begrijpen’ of ‘bij de goede christelijke groep horen’ (om je daarmee te onderscheiden van zogenaamde niet-christenen)? Het gaat toch om het goede geloven en uitleven? Of in die tijd: de wet van Mozes tot in detail kennen, daarop mediteren en principieel uitleven (om je daarmee te onderscheiden van de ‘heidense volken’)?

En dan bloed. Man, bloed! Bloed stond voor ‘Pas op!’ Want vlees waar nog bloed in zat, mocht niet worden gegeten. En bloed stond ook voor voor onreinheid. Een vrouw bloedt elke maand. En bloed kleeft aan de handen van een moordenaar.
En dan zeggen: Dit is mijn bloed?
Het is banaal.
Lichaam eten en bloed drinken.
Je snapt wel dat de eerste christenen als kannibalen werden gezien.

Maar tot zover de serieusheid. Niet te lang over nadenken, zou ik ongevraagd willen adviseren.

We staan ook niet te lang stil bij de (scheld)woorden van de baron. En of Bassie en Adriaan en de collega-criminelen van de baron nou echt bamiballen of frikandellen waren. It is simply not the point. Jezus zelf houdt geen lange verhandeling tijdens zijn heilige, laatste avondmaaltijd.

Eet.
Drink.
Voel.
Zie het voor je.
En probeer dan maar eens niet te (huilen van het) lachen.
Of het nou over dat lichaam of die wijn gaat, het werkt net als die scheldwoorden.
Ze komen, maar dan letterlijk en lichamelijk, bij je binnen.
En je bént het dan ook meteen.
Zowel individueel als collectief.
Je bent wat je eet.

Lichaam van Christus. (Al het levende, voedende, zich ontwikkelende, groeiende en bloeiende dat altijd al bestaat en zal blijven bestaan. Jij dus ook.)
Bloed van Christus. (Alle teleurstelling, pijn, verdriet, pesterijen, vernederingen en dood dat in ons leven meekomt. In jouw leven dus ook.)

En eet en drink gerust wat meer.
Het is niet voor niks wijn hè.

Heiligen die niet lachen, hebben hun innerlijke auto op de handrem laten staan.

Niet doen. Niet leuk. En niet slim.

Stelletje heilige-koeien-op-wielen!

 

Windfulness

Windfulness

Er is zoveel om te aanbidden.
Zoveel moois, zoveel groots, zoveel allemachtig prachtigs, zoveel om van te genieten.

Ik lig bijvoorbeeld graag op het strand.
Op mijn strandlaken naar boven te kijken.
Ja, ik ben een echte zonaanbidder.

In mindere mate aanbid ik God, maar als ik mijn dag heb, dan kan ik het zomaar uitroepen.
O mijn God! – wat lekker, wat goor, wat mooi, wat lelijk, wat eerlijk, wat oneerlijk, wat verrassend, wat saai, wat bevredigend, wat teleurstellend, wat gaaf!

Laatst nog.
Zit ik in de auto met mijn vrouw en drie kinderen.
Zij rijdt, ik geef naast haar een keer geen commentaar.
Ik kijk naar buiten, het is een warme dag in mei.
We rijden naar een speeltuin in Amersfoort en op de weg daarnaartoe staan de bomen in bloei.

Op zich heb ik niet zoveel met bomen.
Ik ben een waterman.
Water staat voor ruimte en leven.
Maar bossendennengeuren benemen mij de adem.
En door de bomen zie ik alleen maar bos, bos en nog eens bos.
Bomen en bos staan symbool voor de dood.

(Behalve dan natuurlijk weer in die Bijbel.
Eigenwijs boek.
Zit het net weer andersom.
De zee staat er symbool voor de chaos – na de scheiding van de wateren geeft de Allerhoogste geen goedkeuring aan de tweede dag – , de bron van het kwaad en de dood.
En de boom van het léven ken je waarschijnlijk wel uit het oerverhaal.
Of anders van de film.)

Ik rijd vaak maar gedachteloos langs de bomen.
Mijn vrouw is daarin anders.
Zij heeft oog voor bomen.
Ik kon het weten.
Ze valt natuurlijk op lengte.
Als ik rijd en zij zit naast me, wijst zij me vaak op de bomen langs de weg.
Op hun honderden verschillen groene, rode, bruine kleuren.
Zo heb ik door de jaren heen meer liefde voor bomen gekregen.

Ik draai mijn raampje open en kijk naar buiten.
Daarvoor hoef je op zich geen raampje open te doen, maar kennelijk wil ik meer dan kijken.

Ik kijk naar de bomen.
Ze wuiven.
Ik zie en ik voel hoe de wind de bladeren aait.

En ik denk: was ik maar zo’n boom.
Dat ik door de stille kracht van de wind wordt gestreeld.
Die mijn hoofd en mijn haren (dat wat er nog van over is) zachtjes heen en weer wiegt.

Gewoon alleen maar stilstaan.
Niks doen.
Je mee laten nemen door wat je overkomt en door wat de wind met je doet.

Niet mind- maar windfullness zeg maar.

Mijn God, wat is er toch veel om te aanbidden.

 

Een bijna-leven-ervaring

Een bijna-leven-ervaring

In twee weken tijd had ik twee keer een bijna-leven-ervaring. Een keer wat anders dan zo’n bijna-dood-ervaring, wat ik 2 jaar geleden in de auto ervoer toen ik een grote hyperventilatie-aanval kreeg. Ik ging niet echt dood, wat je wel zult geloven als je dit stukje leest. Ik dácht dat ik dood ging.

Had ik in de afgelopen twee weken ook. Ik leefde niet echt op z’n mooist en best en gelukkigst enzo, maar ik dacht het. En het het was heerlijk.

De eerste situatie was een openlucht-kerkdienst. En het tweede moment was een openlucht-trouwdienst. De eerste georganiseerd door A Rocha, de tweede door twee kennissen die me hadden uitgenodigd voor hun trouwsamenkomst op een boerderij.

De kerkdienst. In een appelboomgaard. Stoeltje mee. Vrouw mee. Kinderen mee. Zonnetje erbij. Tentje. Muziek. Rust. Wandelruimte tijdens de samenkomst. Toespraak. En vooral: een strakblauwe open hemel.

De trouwsamenkomst. Op een grasveld staan houten bankjes en zo’n 150 witte klapstoeltjes, aan weerszijden van een opengelaten stuk graspad. Vooraan staan twee stoelen. Er is mooi ruimte gemaakt voor een dominee. Het is 19.00 uur. De zon schijnt nog helemaal, maar is moe aan het worden. Hij zakt al. Nog een uur en het is met hem gebeurd voor vandaag. Ik zit helemaal achteraan, op een bankje. Ik kijk uit over de polder. Wat een uitzicht. En ik kijk naar boven. Weer die strakblauwe open hemel.

En ik voel me… levend!

Nou ja, bijna levend. Het had nog mooier en levendiger gekund, leerde ik achteraf. Ik sprak een dag later een vrouw die ook zo intens genoot van dit samenzijn onder een open hemel. Ze zei tegen me: ‘Tijdens het bidden heb ik mijn ogen niet dichtgedaan. Ik hoefde me niet extra te concentreren om me op God te richten…’

Ik bad de avond ervoor alles met gesloten ogen mee.

 
 

Je kunt geloven dat God dood is. Dat mag bekend zijn, dat geloof. En wie een beetje bijbelkennis heeft vindt dit natuurlijk ook een totaal logische (pinkster)gedachte. Tuurlijk ben je dood als je 2000 jaar geleden de geest hebt gegeven.
Ja, ik begrijp deze gelovigen ergens heel goed.

Iets van die geest voelde ik in die openluchtmomenten. Ik voelde me verbonden met de hemel. Ik had even geen last van letterlijke huis- of kerkmuren. Dat gebouw dat we soms ‘het huis van God’ of een ‘godshuis’ noemen, hoe goed bedoeld ook. Ik zat en stond met mijn voeten op de aarde met mijn kop in de hemel, en mijn lijf zat er tussen in. Ik voelde me een levende boom: geworteld in de grond en met mijn kruin in de wind. (En ik begrijp wel dat de eerste religieuze rituelen die we als mensheid uitvoerden onder bomen gebeurde. Of op de top van een berg. En dat we in latere tijden pyramiden en tempels bouwden om de verbinding tussen hemel en aarde vorm te geven.)

Een gedachte uit een brief van Paulus kwam bij me binnen: ‘Jullie zijn een tempel van de heilige Geest.’ Zoals een tempel een verbinding vormde tussen hemel en aarde… zo zijn wij dat dat nu. Ieder persoonlijk, en met elkaar. Als de goede geest ons te pakken krijgt.

Ik ben een godshuis, een levende tempel.
Gods geest woont in mij, zoals hij in Jezus woonde. Zodat ik meer en meer zijn houding en mindset krijg. Want een verbinding tussen hemel en aarde moet wel liefdevol en barmhartig en goed en doordacht en eerlijk en rechtvaardig gebeuren. Elke andere verbinding (op basis van macht, hebzucht, corruptie, jaloezie, onrecht, overheersing, enz.) verstoort.

Kortom.
Ik geloof het niet meer.
Ik geloof niet dat er “meer is tussen hemel en aarde”.
Geen scheiding.
Geen muur.
Zelfs geen gordijn.
Ik geloof dat er tussen hemel en aarde niets meer is dan jij en ik.

De vraag is: wil ik bij mezelf zijn? Of bouw ik liever muren om me heen, en vlucht ik weg naar het ‘meer’ tussen hemel en aarde?
En: wil ik go(e)d doen? Of laat ik God en zijn geest liever niet in mij toe, waardoor ik toch weer een scheiding tussen hemel en aarde in stand houd?


De theaterdominee tourt komend seizoen door Nederland met zijn theatercolleges die je aan het denken willen zetten. Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

Mijn theaterdominee-drive

Mijn theaterdominee-drive

Ik ga voor vernieuwing, verdieping en verfrissing van oude bijbelverhalen die onze taal en cultuur mee hebben gevormd.

Ik ben theaterdominee voor kerkelijke mensen (18+) die verlangen naar nieuwe geluiden in die verhalen. Inspiratie, nieuwe inzichten, eyeopeners. I love it! Ik heb een broertje dood aan hypervrome woorden, simpele – en vaak pijnlijke – antwoorden en goedkope uitvluchten naar een hemel straks. Oude verhalen voor nú graag! Doordacht en doorleefd. Mooi, eerlijk, inhoudelijk, persoonlijk, toepasbaar en relevant.

Ik ben ook theaterdominee voor mensen die moe, onverschillig, cynisch of vrijzinnig zijn geworden door bekende en eindeloze riedeltjes en ‘zo hoor je als gelovige te denken’. Je kent het misschien wel, en hopelijk niet: het christelijke geloof in een pakketje, strik erom of handtekening eronder, en klaar. Saaaaaaaaaai! En funest voor je ziel.

Tot slot ben ik theaterdominee geworden voor mensen die nooit (meer) naar een kerk gaan, en simpel en snel als niet-gelovig worden weggezet. Misschien klopt voor hen mijn hart nog wel het hardst. Want ik voel het als ik met hen in gesprek ben. Zij staan vaak net zo goed open voor eerlijke, kwetsbare en inhoudelijke verhalen. Ook over God. Mijn ervaring is: als we de eerste frustraties over onze ervaringen met geloof, kerk en God voorbij zijn (kan ff duren, en dat mag!), kan er zomaar een ongezien of verborgen verlangen komen bovendrijven. Het échte gesprek, zeg maar. Want ook ik geloof dat we allemaal ongeneeslijk religieus zijn (mooi boek!). En dat we om allerlei redenen voelend en tastend op zoek zijn naar waarheid, zei Paulus ooit. Of in de woorden van Toon Hermans: ‘Alles wat waar is, werkt op het toneel.’

Ik kan niet veel geven, maar wel alles van mezelf. In een eerlijk en inhoudelijk avondje theater. ‘Leuk leren’ noem ik het op mijn homepagina. Of theatrale theologie. Het theater geeft me meer ruimte dan in een kerk (waar ik trouwens ook graag spreek): ik kan daar college, liedjes, anekdotes, verhalen, gedichten en gedachten en gekkigheid in kwijt.

De verhalen van toen verdienen het om verteld en naar onze tijd vertaald te worden. Ik vind ze zo ont-zet-tend gaaf en herkenbaar en vol levenswijsheid zitten!

 
 

Mijn drive?

1. Ik wil mensen verbinden die zomaar kunnen denken dat ze anders dan anderen zijn, maar dat in hun gedrag niet of nauwelijks kunnen laten zien. Waarom niet? Omdat ‘Ik geloof in God’ in de praktijk vaak maar weinig verschilt van ‘Ik geloof niet in God’. Vooral als je bedenkt dat God liefde is. Ik bedoel: wie gelooft er nou niet in de liefde? Oftewel: kerkelijk of niet, we vergeten onze overtuigingen vaak te doordenken. We spijkeren onszelf zomaar vast aan zinnetjes en groepsgeloof. We weigeren door te vragen. ‘In wélke God geloof jij wel of niet? Wat is er in je leven gebeurd? En: als we dan in de liefde geloven – wat ook wel een cliché is toch? – wat houdt dat dan in? Welke impact heeft dat op ons leven van alledag?

2. Ik wil hokjesdenken helpen afschaffen, omdat dat misschien wel hét actiepunt is van mijn inspiratiebron en meer dan dat: Jezus van Nazaret. Vooral als gelovigen hekken bouwen of anderen uitsluiten, laat hij van zich horen. Boos en verdrietig tegelijk, en dan volledig in zelfbeheer. Ik wil daarom mijn eigen overtuiging (‘Laat mijn eigen overtuigingen geen splijtzwam vormen tussen mensen, maar in de eerste plaats mijn eigen hart splijten’) meer en meer waarmaken. Ik weet van mezelf hoe moeilijk ik dat vind. Vanuit opgelopen onzekerheden en angsten ben ik gevoelig voor mijn eigen gelijk en beoordeling van anderen. En ik ben een Nederlander, dus “ik wil weten waar ik aan toe ben”. Of ik goed ben. Fatsoenlijk. Normaal (Nog zo een: ‘Doe maar normaal, dan…’). En of ik in het goede hokje zit. En anders praat ik me zelf dat goede hokje wel in. En ligt het aan de ander.
Ik ben niet de enige. Ik ervaar hoe zowel kerken als de maatschappij gevoelig voor splijten en splitsen en ‘Eigen Groep Eerst’ is.

Dat moet anders. En kan ook anders. Jezus van Nazareth gaat me hierin voor. En vele Groten der Aarde gaan in zijn kielzog mee (zoals Nelson Mandela, Dag Hammarskjöld, Moeder Theresa, Martin Luther King, e.v.a.). En daar doe ik op mijn eigen, kleine wijze graag aan mee. Met mijn zelfgecreëerde beroep.

Theaterdominee.
Doe je mee?

David Heek


De theaterdominee tourt komend seizoen door Nederland met zijn theatercolleges die je aan het denken willen zetten. Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

Wat profeten willen (w)eten

Wat profeten willen (w)eten

Leraren kennen we.
Mooi beroep is dat.
Je medemensen wat bijbrengen, en leren om te leren.
En dat je dan door de interactie en de gesprekken zelf ook weer nieuwe dingen leert.
Tof!

En stel nou dat je jezelf niet alleen als leraar ziet.
Maar ook als profeet.
Als wattes?
Ja, als een profeet.

Heb je daar een beeld bij?
Ik weet niet of je dat hebt.
Maar misschien denk je aan iets als dit:

En David, gaan de Oranjeleeuwinnen morgen winnen van Amerika?
En zo ja, met hoeveel?
En wie maakt het eerste doelpunt?
Loopt het uit op verlenging en strafschoppen?

Profeten kunnen dat weten, toch?
Als toekomstvoorspellers.
Zelfs als toekomstvoorzéggers.

Kijk, Piet Paulusma en Marco Verhoef voorspellen het weer van morgen.
Een profeet kan de toekomst voorzeggen.

Roept zoiets herkenning op bij die functie van profeet?

Je hebt ze trouwens niet alleen bij SBS en de NOS.
In de kerk heb je ze ook.
Profeten.
Mensen die, zoals dat dan vaak wordt genoemd, dingen “op hun hart krijgen” en “woorden van God” aan andere gelovigen kunnen doorgeven.
Het wordt de ‘gave van profetie’ genoemd.
Een bijzonder ding.
Ik kan erover meepraten.

Persoonlijk voel ik me dan ook erg verbonden met dit fenomeen (lees hier een persoonlijk voorbeeld van zo’n ervaring).
Als ik moet kiezen uit de vijf vanouds bestaande kerkelijke functies, dan plaats ik mezelf graag in de categorieën ‘leraar’ en ‘profeet’.
In die combi kan ik goed gedijen.
Ik vind die ook veelzijdig en spannend.
Veel kerken erkennen deze functies ook.
Er zijn herders en leraren, vaak dominee of predikant genoemd.
Er zijn evangelie-verkondigers: evangelisten.
Er zijn apostelen: uiteraard de eerste leerlingen van Jezus, maar ook zogenaamde ‘zendelingen’, een letterlijke vertaling van ‘apostelen’.
Maar de functie van profeet… die heb ik in de kerk nooit gekend.
In mijn kerkelijke ervaring zijn er nooit profeten in de kerk geïnstalleerd.
Zonde is dat.
En het heeft ook grote gevolgen.
Want kerken missen daardoor zomaar een innerlijke, kritische stem.
Mensen die de boel scherp houden.
Mensen die het heilig verklaarde zo nu en dan ontheiligen.
Mensen die kunnen kietelen en narren.
Mensen die humor en ruimte en lucht kunnen brengen als het leven te zwaar is gemaakt.
Mensen die ernst kunnen brengen als het leven te vrijzinnig of te navelstaarderig wordt.
Haal de profeten weg, erken ze niet, geef ze geen plek, laat ze stikken, zwijg ze dood, en je tekent voor lauwheid en een verstarde status quo.
Maar misschien en hopelijk herken je dat niet in je eigen kerk.

Ja, schaar mij maar onder de profeten.
Het zijn echt van die eenlingen.
Zonderlingen.
Luizen in de pels.
Vreemde vogels.
Teruggetrokken types die zich geregeld maar op hun eigen tijd in het openbaar laten zien.
Kunstenaars, artiesten, bohémiens.
Individualisten die voelen dat ze anders dan anderen zijn en doen.
En anders krijgen ze dat wel van die anderen te horen…

Tegelijk voel ik er ook bescheidenheid bij.
Het klinkt zo hoogdravend, vind je niet?
Voorspellen.
Voorzeggen.
Profeet.
Ik voel een uitspraak van de Joodse profeet Amos diep mee.
Hij zegt ergens: ‘Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en vijgenteler.’

Alleen ben ik dan een zoon van een visboer.
Uit Spakenburg.
Maar ja: veeboer, visboer, die paar letters verschil maken niet zoveel uit.
Nog steeds zijn het van die beroepen waar je moeilijk CEO in kunt worden, zeg maar.
En het zijn geen beroepen waar je per definitie en als vanzelf status en respect van anderen door krijgt.
Ook niet van die beroepen die je per se op je LinkedIn-, Facebook- of Twitterprofiel wilt zetten.
(Ik vind het prachtige beroepen, dat wil ik hier graag even zeggen! Ik kom vaak op de boerderij en sta graag aan de viskraam!)

Tja, profeet.
Je zult het maar zijn.
Lastig hoor.
Bovendien: van die gave van profetie kan zo snel misbruik worden gemaakt.
‘Ja, het zijn woorden van God die ik heb gekregen, dus als ik jou was zou ik daar maar even goed naar luisteren.’
Machtsdenken en emotionele manipulatie liggen gevaarlijk snel op de loer.
Er is in het kerkelijke verleden ook wel misbruik van gemaakt.
En misschien wordt dat nog wel steeds gedaan, daar heb ik geen zicht op.

Aan de andere kant: dat doen die weer-profeten op tv ook.
Dat is minder schadelijk natuurlijk.
Maar de weerman die er eerlijk vooruit komt dat-ie er gisteren faliekant naast zat, moet volgens mij nog geboren worden.
Te vaak dekken zij zich eenvoudig in.
‘We zijn weervoorspellers, geen waarzeggers.’
Terwijl een arts die een verkeerde inschatting maakt over een ziektebeeld, zich wel mag verantwoorden.
Dan denk ik: aan ‘sorry’ zeggen heeft volgens mij nog nooit iemand een ziekte overgehouden.

Hetzelfde geldt voor iemand als Thierry Baudet.
Als je het prototype ‘seculiere profeet’ zoekt, dan is hij het wel.
Hij profeteert dat we als samenleving “het verlies van God” – zoals hij dat noemt –  op alle mogelijke en zoekende manieren aan het opvangen zijn.
Ik ken geen christen-politicus die deze analyse zo duidelijk en publiekelijk verwoordt.

Het verlies van God.
Het klopt.
Ik merk het ook.
De lege plek.
Het zoeken.
De opvulling van de lege plek.
Het cynisme soms.
De onverschilligheid ook.
De capitulatie.
Hoe ook theologen ‘God’ dan maar vermijden, en vervangen door Het Morele Principe, Het Fijne, Het Leuke, De KnuffelHeer, De Warmte, of Het Kaarslichtje.
Je moet toch wat.
God is dood, ik weet het.
Ik deel die filosofische conclusie van Nietzsche.
Maar hij wordt zomaar op de lelijkste en meest lachwekkende manieren weer levend gemaakt.
Dat je denkt: laat hem alsjeblieft dood liggen.
Want nu graaf je een vies skelet op.

En de gevoeligheid, die merk ik ook door het verlies van God.
Op begrafenissen bijvoorbeeld.
We mogen het daar over alles hebben.
Over onze eenzaamheid, pijn, ellende, ons verdriet, de radeloosheid, het gemis en over troost.
Maar niet over God.
Waag het niet!
Houd God buiten de dood van onze dierbaren!
Onze overgevoelige en ongeneeslijk religieuze zieltjes kunnen het niet aan.
(Ik denk dan drie dingen: 1. Een ‘God die dood is’ past daar toch juist heel goed? En 2. Prima, het hoeft van mij niet per se over God te gaan. En 3. als we hem toch verloren hebben, wat is er dan zo erg aan om God tevoorschijn te halen? Maar dan mooi, en goed, en eerlijk. Dat is het punt natuurlijk. We willen geen kut-of-klote-god. En dat snap ik. Maar, eh, als ik mijn telefoon verloren ben, dan ben ik wel blij als-ie wordt teruggevonden. En dat ik hem terugkrijg. Mag van mij trouwens ook als ik toevallig op een begrafenis ben.
En dan hebben we het dus over een telefóón hè.)

Het verlies van God.
Baudet spreekt ware woorden.
Mooie boektitel ook trouwens.

Maar ja, hoe Baudet het christendom vervolgens opnieuw inzet om een soort autocratische, nationalistische samenleving te creëren waarin een soort oervorm van Nederlands cultuurchristendom nieuw leven wordt ingeblazen, en waarin vervolgens iedereen die niet aan de normen en waarden van dat cultuurchristendom voldoet kan ophoepelen – tsja, het heeft schrijnend en bar weinig te maken met de open-minded Christus op wie het begrip ‘christendom’ en ‘christelijk geloof’ is gebaseerd.

Bovendien, de vermenging van christelijk geloof en politiek vraagt om een dosis wijsheid en innerlijke rust waar je u tegen zegt.
Baudets constant multi-interpretabele gepraat (‘Zo heb ik mijn woorden niet bedoeld’, ‘Mijn vrouw-onvriendelijke uitspraken worden uit hun context gehaald”, enz.) en zijn snelle opgefoktheid getuigen maar weinig van die rust en wijsheid.
Om verder maar geen woorden vuil te maken aan zijn gemene, geniepige, emotionele manipulatie.

Seculiere profeten.
Kerkelijke profeten.
Je zult maar zo’n profeet zijn.
Ik wil het steeds meer leren.
Ik voel me echt een beginneling.
Een autodidact.
En ik denk: bestonden er maar, net als in die oude Israëltijd, zogenaamde profetenscholen.
Lees die uitspraak van Amos nog maar eens: ‘Ik ben geen profetenléérling’.

Want weet je wat ik zo fascinerend vind aan die profeten?
Niet eens dat ze iets moois en unieks voor hun medemens kunnen betekenen.
Dat ze woorden van God aan anderen kunnen doorgeven.
Omdat ze iets ‘op hun hart hebben gekregen’.
Gewoon iets móeten zeggen.
Net zoals de profeten zeiden ‘Dit zegt de Heer’, maar vervolgens hun eigen mond open deden, en zeiden wat ze moesten zeggen.
Wat een connectie!

Ook waardeer ik het niet eens dat het persoonlijkheden zijn van wie je het idee hebt dat ze op de een of andere manier dichter betrokken zijn op het hart van God.
Op Gods pathie.
Sympathie.
Empathie.
Op Gods passie – zijn hartstocht, meeleven, pijn, warmhartigheid en gedrevenheid.

Profeten?
They eat God’s heart out!
– in positieve zin.
Veel meer dan toekomstvoorspellers of toekomstvoorzeggers zijn het mensen die op de een of andere manier het goddelijke hart in zichzelf horen kloppen.
Alsof hun eigen hart regelmatig meeklopt met die van de Allerhoogste.

Maar dat is nog niet eens wat ik het meest bijzonder vind.
Ik bedoel: God is geest, en wij hebben zelf ook een geest (Engels: mind).
Dus dat die connectie bestaat, en dat er mensen zijn die er wat meer mee zijn geconnect vind ik heel mooi maar ergens ook wel logisch.

Wat me wel enorm fascineert aan die profeten is hun kijk op de wereld.
Ze hebben de wereld om hen heen in beeld.
Echt ongelooflijk vind ik dat!
Zonder Google Maps hè.
Zonder achtuurjournaals.
Ze hebben vanuit hun eigen land Israël een helikopterview over de omringende landen.
Ze willen per se weten wat er zich om hen heen afspeelt.
En ze weten het!
Ze denken niet alleen, ze kijken ook out of the box.
Uit de eigen bekende kaders, gewoontes, normen, waarden en tradities.
De profeet Jesaja bijvoorbeeld heeft het hoofdstukken achter elkaar over Babel, Assyrië, Moab, Aram (Syrië), Nubië (Ethiopië) en Egypte.
Dan denk ik: Hoe is dit in godsnaam mogelijk?
Hoe weet hij dat allemaal?
Dat is toch niet normaal?
Hoe heeft hij daar zicht op gekregen?
Net als die andere profeten, zoals Jeremia, Ezechiël, Nahum en Zacharia.

Vergelijk dat eens met de seculiere profeten van nu.
Die vaak niet verder komen dan de bescherming van hun eigen landje, en hun landgenoten daarin meetrekken.
Of vergelijk dat eens met de kerkelijke profeten.
Die vaak niet verder komen dan de bescherming van hun eigen kerkje, en geloofsgenoten daarin meezuigen.

Je zult maar profeet zijn!

Zo.
En dan kan ik nu naar buiten.
Piet en Marco hebben gelijk.
De bewolking zou later op de dag openbreken.
Het wordt langzaamaan een stralende dag.

PS. Vind je dit onderwerp interessant? Ben je benieuwd of je jezelf als een profeet kunt of wilt zien (en voel je daar misschien nog schroom, angst of schaamte bij), lees dan absoluut het boek ‘De Profeten’ van Abraham Joshua Heschel. Een beter en mooier boek hierover ga je niet vinden. Prachtige bijbeluitleg ook.


De theaterdominee tourt komend seizoen door Nederland met zijn theatercolleges die je aan het denken willen zetten. Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

 

Mijn grootse geloof

 

Mijn grootse geloof

Ik geloof.
Sterker nog: eigenlijk heb ik best een groot geloof.
En ik wil niet opscheppen, maar ik denk dat ik het grootste geloof van iedereen heb.

Ja, lieve lezer, dat laatste geloof je niet, hè?
Zie je, en dus heb ik een groter… 😉
1-0.
Een vroege openingsgoal, hoor.

Weet je wat ik namelijk geloof?
Ik geloof dat iedereen, alle mensen, uit-ein-de-lijk in god gaan geloven, en in zijn zoon en, ja, doe de heilige geest er dan meteen ook maar bij.
Want je kunt wel leven met de vader en de zoon.
Het moet ook een beetje geestig blijven.

Ik geloof dus dat het ooit allemaal goedkomt.
Met alles en iedereen.
Alles en iedereen verzoent zich met god en met elkaar.

Nou hoor ik je denken:
‘Dat zou inderdaad prachtig zijn!
Allemachtig prachtig!
Maar dat gaat natuurlijk niet gebeuren.’

Want je gelooft misschien niet in god, niet in zijn bestaan, en je kunt het je ook niet voorstellen dat je dat ooit gaat doen.
Laat staan dat je het met iedereen goed gaat zitten maken.
Hallo, je bent Gekke Henkie niet.
En je denkt aan wat alle Gekke Henkies of Maffe Maria’s je hebben aangedaan.
Dat snap ik.
En ook heel goed.
En ook heel lang.
En toch geloof ik dat het goedkomt.

Of je zegt: ‘Helemaal leuk, dat grootse geloof van jou, maar de bijbel laat toch wel een ander verhaal horen.
Het is live or die. Forever.
Dus…
Geloof maar lekker verder, David.’

Hihi.
Zie je opnieuw dat ik een groter geloof dan je heb.
Goal!
2-0.

‘Ja maar Hitler dan’, zeg je, ‘daar kan het toch nooit goed mee komen?’

‘Dat zou kunnen kloppen,’ zeg ik dan, ‘dat zou wel eens een heel erg lang verhaal kunnen worden. Zelfs zo lang dat je denkt: ‘Dat komt nooit meer goed met die rare, gevaarlijke kerel.’

En dan tikt de tijd verder.

En dan schijnt elke dag de zon.
Op een vernieuwde aarde.
In een vernieuwde hemel.
In elkaar verweven, zoals de aarde en hemel van nu dat ook al zijn.
Min of meer.
Veel te vaak min.
Zonde man.
Maar wel verweven.
Soms ervaren mensen dat ook.
Ik kan er zelf ook over meepraten.

Ja, het is wat, dat geloof van mij.
Om gek van te worden – wat ik overigens graag ben.

En op die hemel-aarde of aarde-hemel spelen we met z’n allen lekker buiten.
Buiten de poorten van de stad ook, in het open veld.
We luieren wat.
Werken wat.
Schrijven wat.
We hebben de eeuwigheid.
En gezelligheid kent geen tijd, dus dat komt mooi uit.

Je eet wat mee.
Je klust wat bij.
Je vrijt wat af.
En je vindt wat uit.
(Ja, je bent wèl creatief! Waarom heb je dat toch altijd ontkend?)
Of je zingt de hele dag.
Tja, sommige mensen lijkt het heerlijk om voor altijd en eeuwig te zingen.
Elke seconde van de dag.
Prima hoor.
Maar eerst zangles nemen, oké?
Liefde voor je medemens, weet je nog wel?
Dank u.

Hitler is in geen velden of wegen te bekennen.
We weten niet waar hij is.
Het houdt ons ook niet bezig, eerlijk gezegd.
Maar waarschijnlijk is hij ergens ver weg.
In zijn privéhuisje, in de kelder, in het donker, alleen.

Tot er weer een dag aanbreekt waarop de zon schijnt.
En we in de verte een man naar ons toe zien rennen.
We zien duidelijk wie het is.
Hij loopt de poort van de stad binnen.
Vlak daarna wordt hij tegengehouden door een man.
Die we ook goed kennen.
We horen het niet, maar we zien de twee wel kort met elkaar praten.
Heel kort.
We zien Hitler al snel naar zijn kleren kijken, zich vervolgens omdraaien en afdruipen.

Uniform vergeten uit te doen, de sukkel.
Zijn tweede dood.

Een aantal weken later zien we hetzelfde tafereel gebeuren.
We herkennen de beroemdste man uit de 20e eeuw.
Hij loopt weer door de poort de stad binnen.
En dan gebeurt het.
We zien dat de man zijn uniform uittrekt, tot en met zijn hemd en onderbroek.

Dan verschijnt de beroemdste man van de wereldgeschiedenis.
Hij zegt iets tegen Hitler, dat is duidelijk te zien.
Hitler kijkt hem in de ogen, dan naar zijn eigen lijf, en rent weg.
Hij schreeuwt nog wat akeligs van zich af.
In dat typische WOII-Duits.
Hij verdwijnt in de verte.
Zijn derde dood.

Jezus draait zich om en loopt op ons af.
Wij vragen hem: ‘Waarom rende Hitler weg?’
Voordat Jezus onze vraag beantwoordt, laat hij ons zien wat hij in zijn handen houdt.
We kijken naar een set prachtige, smetteloze, witte kleren.
Duidelijk bedoeld voor één persoon.
Dan zegt Jezus: ‘Hij kon mijn blik niet verdragen. Mijn gezicht was te fel, zijn lichaam te naakt. En deze kleren die ik aanbood, hij schonk er geen enkele aandacht aan.’

Iemand van ons vraagt: ‘Wat denkt u? Zou Hitler ooit nog een keer terugkomen, en het met alles en iedereen kunnen goedmaken?
Jezus kijkt de vragensteller aan, en zegt:

‘Beste David, jij zegt toch altijd zo graag tegen iedereen dat je het allergrootste geloof hebt?’

Touché!
Aansluitingstreffer.
2-1…


De theaterdominee tourt komend seizoen door Nederland met zijn theatercolleges die je aan het denken willen zetten. En dat gebeurt gegarandeerd, of je nou gelooft of niet (dat doet hijzelf ook vaak niet op de manier waarop dat volgens anderen zou moeten). Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

Meditatiestorm

Meditatiestorm

Vraagje.
Doe jij ook aan mindfulness, meditatie, bidden of yoga?

Ja tuurlijk doe je dat!
Het is 2019, David!
Hallo? Wakker, jongen?

En, lukt het een beetje?
Kom je ook al zo lekker tot jezelf?
Helemaal in control, en ingetuned, en zen, enz.?
Ja?

En bedankt.
Maak me maar weer jaloers.
Hoe doe je dat toch?
Het gaat bij mij eigenlijk nooit goed.
En ik doe echt mijn best, hoor.
Ik ga er goed voor zitten.
Rug recht.
Ik let op een goede, diepe ademhaling.
Wolken van gedachten probeer ik met mildheid en zonder oordeel voorbij te laten drijven.
Een minuut.
Negen van de tien keer, maximaal een minuut.
Ik houd het gewoon niet vol.

Met je mindfulness-wolkjes.

De laatste keer dat het faliekant mislukt om me diep van binnen stil te krijgen, kom ik helemaal vol te zitten.
Het waait in mijn bovenkamer alle kanten op.
Niet weg te blazen.
Ik regel niet even snel een blauwstrak teletubbieland met van die vriendelijke stapelwolkjes.
Als ik ga bidden of mediteren kan ik rekenen op een STORM van gedachten, fantasieën en emoties.

Maar goed, dat hebben jullie dus minder.
Hm.
Of hoor jij toevallig bij dat joepie-de-poepie-Happinez-succesverhaal-publiek?
Altijd rustig.
Altijd stilte.
Altijd helemaal zen en binnen een mum van tijd een wolkenloze lucht in de kop.
Jaja.
Raar hoor.
Snap ik dus helemaal niks van.
Ik bedoel: waarom noemen ze het dan mindFULness?

Maar goed, ik probeer het weer eens.
Ik ben in meditatief gebed, en de wind steekt op.
Ik laat het maar weer helemaal gebeuren.

Ik zie mezelf zitten.
Op zo’n klein, schattig, houten stoeltje.
Tegenover de juf.
In de kring van de kleuterklas.

Met mijn handen houd ik verkrampt het zitvlak van mijn stoeltje vast.
En ik voel hoe mijn hartje in mijn keeltje tekeergaat.

‘Wie van jullie weet nog waar het bijbelverhaal van gisteren over ging?’

Elke ochtend stelt de juf weer dezelfde vraag.
Gevolgd door stilte.
Altijd die rusteloze stilte.
Alsof ze het erom doet.
Zou ze ook maar enigszins doorhebben wat voor ongemakkelijk gevoel dat bij mij oproept?

Natuurlijk zijn er altijd een paar van die wijsneusjes die meteen hun vinger opsteken.
Altijd dezelfde.
Ik hoor mezelf denken: die krijgen thuis aandacht te kort, zeker weten.
Komen dat op school inhalen, echt.

Of zou zíj er stiekem van genieten, de juf?
Zou zij thuis niks te vertellen hebben?
En behoefte hebben aan macht.
Als een despoot, een verschrikkelijke tiran.
Een beetje sadistisch zitten te profiteren van de verstikkende zenuwen van kleine kindjes.

Nee, zo is juf Ledelay niet.
Anderen.
Zij niet.
Dus ik ga op de compassievolle tour en ik vraag me af: zou ze misschien vergeetachtig zijn?
Dementerend.
Ik bedoel: ze heeft het verhaal gisteren zelf nog verteld.

Ik kijk naar de vloer, naar mijn schattige, bruine, leren, middenjaren ‘80-schoentjes.
‘Niet doen juf, niet aan mij vragen.
Niet mij uitkiezen.
Ik weet het antwoord niet.
Je ziet toch wel dat ik geen antwoord wil geven?
Dat ik daar geen zin in heb.
Oké, ik weet het antwoord wel, maar ik durf niet, echt niet.’

Ik voel aan alles dat ik niet wil zijn waar ik ben.
Ik wil thuis zijn.
In de woonkamer.
Bij mijn speelgoed.
En bij mama.
Die lapt de ramen.
Boent het huis.
Doet boven de was.
En tot aan de dag van vandaag stelt ze zelden vragen, de schat.
Heerlijk.
Kan ik lekker stil zijn.
Of net doen alsof ik luister.

Ik kijk naar de schoentjes van mijn klasgenoten.
Ik zie de benen van Anske, het eerste meisje op wie ik verliefd ben.
Ik kijk naar haar bloemetjesjurkje.
Haar behoorlijk korte bloemetjesjurkje.

Je hoeft het niet per se te weten, dat weet ik, maar ik ben nooit gemakkelijk met de dames geworden.
Maar ik was er wel vroeg bij.
In mijn fantasiewereld was ik al snel gebiologeerd door het geheimzinnige verhaal van de bloemetjes en de bijtjes.
Over de bijmannetjes.
En over de bijvrouwtjes – ik zou er nog altijd veel willen hebben.
Net als in vroegere bijbelse tijden.
Ik moet het tot aan de dag van vandaag met één doen.
Ja, ik weet het.
Ik heb zo’n zwaar leven.

Ik observeer Anske nog beter.
Ik voel van alles in mijn onderbuik fladderen.
Ik wil haar zo graag een kusje geven.
En ik sta op.
Ik loop op haar af.
Ik sta voor haar stoeltje en ga door de knieën.
Ik buig me naar haar mond toe en verdrink in haar schitterende blauwe ogen.
Op het laatste moment durf ik haar geen kus te geven – ik geef een knuffel en ik stik in haar lange blonde haren.
Dat verbaast me.
En ik vraag me af: hoe komt het dat ik liever verdrink dan stik?

Opeens een stem.

‘David, ik moet het gewoon wel aan jou vragen hè?
Jij weet vast nog wel welke reus David versloeg?’

Ik schrik wakker uit mijn fantasiewereld.
En raak in de war.

‘Eh, welke reus David versloeg?’
Ik denk: maar de réus versloeg David toch niet?

Ik doe mijn wijsvinger in mijn mond, kijk verlegen naar de vloer en ik zeg niks.

‘Toe maar David, dat weet je vast nog wel.’

Ik schud mijn hoofd.

‘David?’

Ik word boos vanbinnen.
Ik kijk vragend naar Anske.
Ze kijkt me aan.
Uitdrukkingsloos.
Ik zie dat ze haar jurkje recht trekt.
Ze neemt het niet voor me op.

‘Weet je het echt niet meer, David?’
Weer de juf.
‘Het rijmt op bubbelbad.’

Ik voel hoe mijn ogen vochtig worden.
Ik kijk naar de juf.
Ze kijkt me verwachtingsvol vol aan.

‘Ja, toe maar.’

‘IK WIL NAAR MAMA TOE-HOE!’

Amen.


Wil je de theaterdominee in het echt meemaken? Check hier welke plaatsen hij in zijn theatertour ’19/’20 aandoet, en reserveer je tickets!

 

Neuken, en wat krabben aan het kruis

 

Neuken, en wat krabben aan het kruis

‘Ik ben op zoek naar mensen die weinig of niets (meer) hebben met geloof, kerk en de bijbel. Maar die, juist daarom, vaak wel een stevige mening hebben over de oude bijbelverhalen. De Genesis-oerverhalen in dit geval. Wil je met mij in gesprek?’

Een van de reacties op mijn Facebook-oproep triggert mij het meest. Het komt van een vrouw die haar broer tagt. Hij woont in Groningen en, schrijft ze, hij heeft zijn woordje altijd wel klaarliggen. Ik leg Messenger-contact met de man en zo gezegd zo gedaan, we spreken af op het plein voor het Centraal Station, om 12 uur. Na een relaxte zondagse treinreis loop ik het stationsplein op.

Ik zie me daar nog op een bankje zitten. Zitten wachten vooral.

Wanneer ik iemand na een uur op me af zie lopen, denk ik dat het de man van de afspraak is. Ik vraag het hem, en hij bevestigt. Ik wijs hem verontwaardigd op de tijd. Hij maakt geen excuses. Wel steekt hij meteen van wal.

‘Ik ben gisteren naar de hoeren geweest, heb me daarna klem gezopen en niet geslapen.’ Ik ruik dat hij de waarheid vertelt. Hij praat veel, en snel en soms met dubbele tong. Ik denk: dit gaat geen gesprek over Genesis worden. Zal ik het gesprek meteen afkappen en de volgende trein naar huis nemen? Ik besluit dat niet te doen, en laat hem losgaan. Hij vraagt me de hemd van het lijf, van de hak op de tak. Ik luister en geef korte reacties. Zijn jeugd, de kerk, gedachten over God en geloof, zijn familie, zijn scheiding, zijn seksleven. Vooral dat laatste interesseert hem trouwens.

‘Waar ik nou benieuwd naar ben,’ zegt hij, ‘kijk, ik doe het met Marjan en Alleman maar hoe vaak heb jij nou in de afgelopen tijd met je meissie geneukt?’

Ik glimlach, en denk aan een getal. ‘Dat gaat jou niks aan,’ zeg ik. Hij dringt aan en zegt dat ik niet zo preuts moet doen. ‘Ik kan wel merken dat je christelijk bent,’ bijt hij me toe. Ik glimlach, misschien ook wel omdat ik aan de laatste keer denk. Ik zeg in mezelf: ik bepaal zelf wat ik jou wel of niet vertel, ouwe piemel!

Hij ziet er groot, gespierd en beresterk uit. Hij loopt er onverzorgd bij. Slecht gebit. Oude, lange, beige regenjas. Met een lach had hij die zo-even als een potloodventer opengeslagen. Hij had zijn kleren aan, zag ik, dus dat viel mee. Trots wees hij me op de twee blikken halve liters bier, in de zijvakken.

We lopen de binnenstad in. Hij leidt me een Joods museum binnen, en vertelt me er van alles en nog wat over. De grens van waarheid en leugen is volstrekt onduidelijk, en neem ik voor lief. Ik betrap me zelf op een vooroordeel. Want hij is zeker niet dom. Mijn gesprekspartner is streetwise.

En langzaam maar zeker komt hij meer bij zinnen.

 
 

Anderhalf uur later zitten we in een Subway aan een tafeltje. We eten een broodje. Hij vraagt naar mijn mobiel. ‘Ik wil je wat laten zien.’ Samen kijken we naar een beer van een Amerikaan. Een beroemde bankdrukker. Hij kijkt me aan en zegt: ‘Dit is mijn grote voorbeeld, weet je. Hij is zo sterk. Die kerel inspireert mij. Zonder hem zou ik hier niet met jou zitten. Je moet sterk zijn, snap je? Vechten en volhouden.’

En dan voel ik het in me opborrelen. Een soort drang om hem te confronteren. Vanuit de theorie heb ik een idee gekregen wat voor type er voor mij zit. Maar hij is groot. En ijzersterk. Is hij te vertrouwen? Hij slaat me met één klap het ziekenhuis in, zie ik pijnlijk voor me. Is er genoeg vertrouwen in die anderhalf uur opgebouwd? En is dat eigenlijk wel noodzakelijk? Ik kies gauw de kant van de naïviteit – net doen of je gek bent en dat dan ook zijn – en besluit het erin te gooien.

‘Weet je op wie jij lijkt?’
‘Nou?’
‘Op Simson.’
‘Dat meen je niet! Dat was vroeger mijn lievelingsverhaal, man!’
(Er gaat een geluksgolf van adrenaline door me heen. En ik schiet een dankgebedje naar boven.)
Hij zegt: ‘Maar hoezo dan? Waarom lijk ik op Simson, denk jij?’
‘Je bent zo sterk als een beer, en zo geil als boter. Je zoekt je houvast bij een sterke bankdrukker, en je loopt je pik achterna.’

Ik merk dat ik een snaar bij hem raak. ‘Maar ik moet wel. Ik moet gewoon sterk zijn, dat doe ik mijn hele leven al, man. Zo werkt het gewoon.’

Ik knik begripvol. ‘Je weet hoe die Simson aan zijn eindje kwam hè?’ Dat wist hij niet meer. Ik zeg: ‘Zijn kracht werd zijn ondergang. Hij duwt de dragende zuilen van een tempel van hun plek, en die tempel met duizenden feestvierende vijanden stort in. Allemaal dood. Simson zelf ook.’ Hij herinnert zich het verhaal weer. ‘Ja mooi hè?’

Ik vraag hem: ‘Ken jij die andere Simson?’ Hij kijkt me met een frons aan. ‘Is er nog één dan?’ ‘Ken je dat verhaal van de man die alles kon krijgen wat-ie wou, van veel vrouwen de aandacht kreeg en met iedereen het bed kon induiken maar dat naliet? De man die in de kracht van zijn leven zichzelf opoffert, met voorbedachten rade? De man die zich liet afranselen en vermoorden in plaats van het recht in eigen handen te nemen. Het verhaal van een dwaze en absurde Simson. Ken je die man?’

Ik zie dat de man voor me knakt. Twee lange tranen lopen over zijn wangen. ‘Ik weet het’, zegt hij, ‘maar zo makkelijk is het niet voor mij, snap je? Ik moet echt sterk zijn.’ Ik erken, toon begrip, wil niks forceren. Ik luister naar een ijzersterke beer die snikkend naar woorden zoekt, omdat hij vanbinnen gewond is.

Plotseling staat hij op, geeft me een hand (auw!), en zegt: ‘Ik wil je hartelijk bedanken, man.’ Daarna loopt hij me voorbij, richting de deur. Ik kijk achterom en zie hem de eetzaak uitlopen, zijn eigen domein in: de straat.

Ik haal diep adem. Ik sta op en gooi ons afval in de vuilnisbak. Vlak voordat ik de Subway uitloop schiet ik nog een gebedje de hemel in.

PS1. Herken je jezelf in dit verhaal, en wil je hierover met mij in gesprek? Of wil je gewoon je ei kwijt? Neem gerust contact met me op.
PS 2. In de theaters verbind ik de oude bijbelverhalen met de ervaringen en vragen van onze tijd. Daar kun je bij zijn, 26 juni is het eerste theatercollege al, in Amersfoort. Ga naar de shop voor de kaartverkoop!