Een huilende Simson in Groningen

 

Een huilende Simson in Groningen

‘Ik ben op zoek naar mensen die weinig of niets (meer) hebben met geloof, kerk en de bijbel. Maar die, juist daarom, vaak wel een stevige mening hebben over de oude bijbelverhalen. De Genesis-oerverhalen in dit geval. Wil je met mij in gesprek?’

Een van de reacties op mijn Facebook-oproep triggert mij het meest. Het komt van een vrouw die haar broer tagt. Hij woont in Groningen en, schrijft ze, hij heeft zijn woordje altijd wel klaarliggen. Ik leg Messenger-contact met de man en zo gezegd zo gedaan, we spreken af op het plein voor het Centraal Station, om 12 uur. Na een relaxte zondagse treinreis loop ik het stationsplein op.

Ik zie me daar nog op een bankje zitten. Zitten wachten vooral.

Wanneer ik iemand na een uur op me af zie lopen, denk ik dat het de man van de afspraak is. Ik vraag het hem, en hij bevestigt. Ik wijs hem verontwaardigd op de tijd. Hij maakt geen excuses. Wel steekt hij meteen van wal.

‘Ik ben gisteren naar de hoeren geweest, heb me daarna klem gezopen en niet geslapen.’ Ik ruik dat hij de waarheid vertelt. Hij praat veel, en snel en soms met dubbele tong. Ik denk: dit gaat geen gesprek over Genesis worden. Zal ik het gesprek meteen afkappen en de volgende trein naar huis nemen? Ik besluit dat niet te doen, en laat hem losgaan. Hij vraagt me de hemd van het lijf, van de hak op de tak. Ik luister en geef korte reacties. Zijn jeugd, de kerk, gedachten over God en geloof, zijn familie, zijn scheiding, zijn seksleven. Vooral dat laatste interesseert hem trouwens.

‘Waar ik nou benieuwd naar ben,’ zegt hij, ‘kijk, ik doe het met Marjan en Alleman maar hoe vaak heb jij nou in de afgelopen tijd met je meissie geneukt?’

Ik glimlach, en denk aan een getal. ‘Dat gaat jou niks aan,’ zeg ik. Hij dringt aan en zegt dat ik niet zo preuts moet doen. ‘Ik kan wel merken dat je christelijk bent,’ bijt hij me toe. Ik glimlach, misschien ook wel omdat ik aan de laatste keer denk. Ik zeg in mezelf: ik bepaal zelf wat ik jou wel of niet vertel, ouwe piemel!

Hij ziet er groot, gespierd en beresterk uit. Hij loopt er onverzorgd bij. Slecht gebit. Oude, lange, beige regenjas. Met een lach had hij die zo-even als een potloodventer opengeslagen. Hij had zijn kleren aan, zag ik, dus dat viel mee. Trots wees hij me op de twee blikken halve liters bier, in de zijvakken.

We lopen de binnenstad in. Hij leidt me een Joods museum binnen, en vertelt me er van alles en nog wat over. De grens van waarheid en leugen is volstrekt onduidelijk, en neem ik voor lief. Ik betrap me zelf op een vooroordeel. Want hij is zeker niet dom. Mijn gesprekspartner is streetwise.

En langzaam maar zeker komt hij meer bij zinnen.

 
 

Anderhalf uur later zitten we in een Subway aan een tafeltje. We eten een broodje. Hij vraagt naar mijn mobiel. ‘Ik wil je wat laten zien.’ Samen kijken we naar een beer van een Amerikaan. Een beroemde bankdrukker. Hij kijkt me aan en zegt: ‘Dit is mijn grote voorbeeld, weet je. Hij is zo sterk. Die kerel inspireert mij. Zonder hem zou ik hier niet met jou zitten. Je moet sterk zijn, snap je? Vechten en volhouden.’

En dan voel ik het in me opborrelen. Een soort drang om hem te confronteren. Vanuit de theorie heb ik een idee gekregen wat voor type er voor mij zit. Maar hij is groot. En ijzersterk. Is hij te vertrouwen? Hij slaat me met één klap het ziekenhuis in, zie ik pijnlijk voor me. Is er genoeg vertrouwen in die anderhalf uur opgebouwd? En is dat eigenlijk wel noodzakelijk? Ik kies gauw de kant van de naïviteit – net doen of je gek bent en dat dan ook zijn – en besluit het erin te gooien.

‘Weet je op wie jij lijkt?’
‘Nou?’
‘Op Simson.’
‘Dat meen je niet! Dat was vroeger mijn lievelingsverhaal, man!’
(Er gaat een geluksgolf van adrenaline door me heen. En ik schiet een dankgebedje naar boven.)
Hij zegt: ‘Maar hoezo dan? Waarom lijk ik op Simson, denk jij?’
‘Je bent zo sterk als een beer, en zo geil als boter. Je zoekt je houvast bij een sterke bankdrukker, en je loopt je pik achterna.’

Ik merk dat ik een snaar bij hem raak. ‘Maar ik moet wel. Ik moet gewoon sterk zijn, dat doe ik mijn hele leven al, man. Zo werkt het gewoon.’

Ik knik begripvol. ‘Je weet hoe die Simson aan zijn eindje kwam hè?’ Dat wist hij niet meer. Ik zeg: ‘Zijn kracht werd zijn ondergang. Hij duwt de dragende zuilen van een tempel van hun plek, en die tempel met duizenden feestvierende vijanden stort in. Allemaal dood. Simson zelf ook.’ Hij herinnert zich het verhaal weer. ‘Ja mooi hè?’

Ik vraag hem: ‘Ken jij die andere Simson?’ Hij kijkt me met een frons aan. ‘Is er nog één dan?’ ‘Ken je dat verhaal van de man die alles kon krijgen wat-ie wou, van veel vrouwen de aandacht kreeg en met iedereen het bed kon induiken maar dat naliet? De man die in de kracht van zijn leven zichzelf opoffert, met voorbedachten rade? De man die zich liet afranselen en vermoorden in plaats van het recht in eigen handen te nemen. Het verhaal van een dwaze en absurde Simson. Ken je die man?’

Ik zie dat de man voor me knakt. Twee lange tranen lopen over zijn wangen. ‘Ik weet het’, zegt hij, ‘maar zo makkelijk is het niet voor mij, snap je? Ik moet echt sterk zijn.’ Ik erken, toon begrip, wil niks forceren. Ik luister naar een ijzersterke beer die snikkend naar woorden zoekt, omdat hij vanbinnen gewond is.

Plotseling staat hij op, geeft me een hand (auw!), en zegt: ‘Ik wil je hartelijk bedanken, man.’ Daarna loopt hij me voorbij, richting de deur. Ik kijk achterom en zie hem de eetzaak uitlopen, zijn eigen domein in: de straat.

Ik haal diep adem. Ik sta op en gooi ons afval in de vuilnisbak. Vlak voordat ik de Subway uitloop schiet ik nog een gebedje de hemel in.

PS1. Herken je jezelf in dit verhaal, en wil je hierover met mij in gesprek? Of wil je gewoon je ei kwijt? Neem gerust contact met me op.
PS 2. In de theaters verbind ik de oude bijbelverhalen met de ervaringen en vragen van onze tijd. Daar kun je bij zijn, 26 juni is het eerste theatercollege al, in Amersfoort. Ga naar de shop voor de kaartverkoop!

Neuken, en wat krabben aan het kruis

 

Neuken, en wat krabben aan het kruis

‘Ik ben op zoek naar mensen die weinig of niets (meer) hebben met geloof, kerk en de bijbel. Maar die, juist daarom, vaak wel een stevige mening hebben over de oude bijbelverhalen. De Genesis-oerverhalen in dit geval. Wil je met mij in gesprek?’

Een van de reacties op mijn Facebook-oproep triggert mij het meest. Het komt van een vrouw die haar broer tagt. Hij woont in Groningen en, schrijft ze, hij heeft zijn woordje altijd wel klaarliggen. Ik leg Messenger-contact met de man en zo gezegd zo gedaan, we spreken af op het plein voor het Centraal Station, om 12 uur. Na een relaxte zondagse treinreis loop ik het stationsplein op.

Ik zie me daar nog op een bankje zitten. Zitten wachten vooral.

Wanneer ik iemand na een uur op me af zie lopen, denk ik dat het de man van de afspraak is. Ik vraag het hem, en hij bevestigt. Ik wijs hem verontwaardigd op de tijd. Hij maakt geen excuses. Wel steekt hij meteen van wal.

‘Ik ben gisteren naar de hoeren geweest, heb me daarna klem gezopen en niet geslapen.’ Ik ruik dat hij de waarheid vertelt. Hij praat veel, en snel en soms met dubbele tong. Ik denk: dit gaat geen gesprek over Genesis worden. Zal ik het gesprek meteen afkappen en de volgende trein naar huis nemen? Ik besluit dat niet te doen, en laat hem losgaan. Hij vraagt me de hemd van het lijf, van de hak op de tak. Ik luister en geef korte reacties. Zijn jeugd, de kerk, gedachten over God en geloof, zijn familie, zijn scheiding, zijn seksleven. Vooral dat laatste interesseert hem trouwens.

‘Waar ik nou benieuwd naar ben,’ zegt hij, ‘kijk, ik doe het met Marjan en Alleman maar hoe vaak heb jij nou in de afgelopen tijd met je meissie geneukt?’

Ik glimlach, en denk aan een getal. ‘Dat gaat jou niks aan,’ zeg ik. Hij dringt aan en zegt dat ik niet zo preuts moet doen. ‘Ik kan wel merken dat je christelijk bent,’ bijt hij me toe. Ik glimlach, misschien ook wel omdat ik aan de laatste keer denk. Ik zeg in mezelf: ik bepaal zelf wat ik jou wel of niet vertel, ouwe piemel!

Hij ziet er groot, gespierd en beresterk uit. Hij loopt er onverzorgd bij. Slecht gebit. Oude, lange, beige regenjas. Met een lach had hij die zo-even als een potloodventer opengeslagen. Hij had zijn kleren aan, zag ik, dus dat viel mee. Trots wees hij me op de twee blikken halve liters bier, in de zijvakken.

We lopen de binnenstad in. Hij leidt me een Joods museum binnen, en vertelt me er van alles en nog wat over. De grens van waarheid en leugen is volstrekt onduidelijk, en neem ik voor lief. Ik betrap me zelf op een vooroordeel. Want hij is zeker niet dom. Mijn gesprekspartner is streetwise.

En langzaam maar zeker komt hij meer bij zinnen.

 
 

Anderhalf uur later zitten we in een Subway aan een tafeltje. We eten een broodje. Hij vraagt naar mijn mobiel. ‘Ik wil je wat laten zien.’ Samen kijken we naar een beer van een Amerikaan. Een beroemde bankdrukker. Hij kijkt me aan en zegt: ‘Dit is mijn grote voorbeeld, weet je. Hij is zo sterk. Die kerel inspireert mij. Zonder hem zou ik hier niet met jou zitten. Je moet sterk zijn, snap je? Vechten en volhouden.’

En dan voel ik het in me opborrelen. Een soort drang om hem te confronteren. Vanuit de theorie heb ik een idee gekregen wat voor type er voor mij zit. Maar hij is groot. En ijzersterk. Is hij te vertrouwen? Hij slaat me met één klap het ziekenhuis in, zie ik pijnlijk voor me. Is er genoeg vertrouwen in die anderhalf uur opgebouwd? En is dat eigenlijk wel noodzakelijk? Ik kies gauw de kant van de naïviteit – net doen of je gek bent en dat dan ook zijn – en besluit het erin te gooien.

‘Weet je op wie jij lijkt?’
‘Nou?’
‘Op Simson.’
‘Dat meen je niet! Dat was vroeger mijn lievelingsverhaal, man!’
(Er gaat een geluksgolf van adrenaline door me heen. En ik schiet een dankgebedje naar boven.)
Hij zegt: ‘Maar hoezo dan? Waarom lijk ik op Simson, denk jij?’
‘Je bent zo sterk als een beer, en zo geil als boter. Je zoekt je houvast bij een sterke bankdrukker, en je loopt je pik achterna.’

Ik merk dat ik een snaar bij hem raak. ‘Maar ik moet wel. Ik moet gewoon sterk zijn, dat doe ik mijn hele leven al, man. Zo werkt het gewoon.’

Ik knik begripvol. ‘Je weet hoe die Simson aan zijn eindje kwam hè?’ Dat wist hij niet meer. Ik zeg: ‘Zijn kracht werd zijn ondergang. Hij duwt de dragende zuilen van een tempel van hun plek, en die tempel met duizenden feestvierende vijanden stort in. Allemaal dood. Simson zelf ook.’ Hij herinnert zich het verhaal weer. ‘Ja mooi hè?’

Ik vraag hem: ‘Ken jij die andere Simson?’ Hij kijkt me met een frons aan. ‘Is er nog één dan?’ ‘Ken je dat verhaal van de man die alles kon krijgen wat-ie wou, van veel vrouwen de aandacht kreeg en met iedereen het bed kon induiken maar dat naliet? De man die in de kracht van zijn leven zichzelf opoffert, met voorbedachten rade? De man die zich liet afranselen en vermoorden in plaats van het recht in eigen handen te nemen. Het verhaal van een dwaze en absurde Simson. Ken je die man?’

Ik zie dat de man voor me knakt. Twee lange tranen lopen over zijn wangen. ‘Ik weet het’, zegt hij, ‘maar zo makkelijk is het niet voor mij, snap je? Ik moet echt sterk zijn.’ Ik erken, toon begrip, wil niks forceren. Ik luister naar een ijzersterke beer die snikkend naar woorden zoekt, omdat hij vanbinnen gewond is.

Plotseling staat hij op, geeft me een hand (auw!), en zegt: ‘Ik wil je hartelijk bedanken, man.’ Daarna loopt hij me voorbij, richting de deur. Ik kijk achterom en zie hem de eetzaak uitlopen, zijn eigen domein in: de straat.

Ik haal diep adem. Ik sta op en gooi ons afval in de vuilnisbak. Vlak voordat ik de Subway uitloop schiet ik nog een gebedje de hemel in.

PS1. Herken je jezelf in dit verhaal, en wil je hierover met mij in gesprek? Of wil je gewoon je ei kwijt? Neem gerust contact met me op.
PS 2. In de theaters verbind ik de oude bijbelverhalen met de ervaringen en vragen van onze tijd. Daar kun je bij zijn, 26 juni is het eerste theatercollege al, in Amersfoort. Ga naar de shop voor de kaartverkoop!

Goddelijke wijn

 

Goddelijke wijn

Het is veel te lang geleden dat ik aangeschoten of dronken ben geweest. De laatste keer die ik me – uiteraard amper – kan herinneren was na een bruiloft. Iets teveel Coso’s* naar binnen gewerkt. Gelukkig was de feestzaal niet ver van huis. Het lukte me om als een zombie naar huis te zwalken. Liggend in bed dacht ik dat het plafond loszat. Of dat ik in een draaimolen lag. Misselijk als een hond dacht ik nooit in slaap te kunnen vallen. Ook dat lukte toch wel, door een van mijn benen naast mijn bed te laten bungelen. De welkome kou en het directe contact met de grond brachten me naar dromenland. Waar ik een paar uur later met koppijn uit ontwaakte. Ik dacht: *Cola-Sonnema’s zijn verraderlijk. Je proeft hoofdzakelijk cola, maar je gaat ondertussen helemaal naar de rambam.

Nee, doe me dan maar wijn. Daar ben ik nog nooit dronken van geworden. Van wijn geniet ik veel meer. En dat zou wel eens door het woord kunnen komen, denk ik nu. ‘Wijn’, alleen het woord klinkt al mooi. Of je het nu in het Engels (wine), Frans (vin), Duits (Wein), klassiek-Latijn (vinum) of klassiek-Grieks (oinos) zegt.

Grappig trouwens, het woord klinkt bijna overal hetzelfde. Wat een universele gezelligheidsdrank is het toch. Drink wijn, en de grenzen vervagen. (En je zou sommige politici wel een paar kistjes willen bezorgen.) Zorgen verdwijnen. Het feest kan beginnen. We worden één grote familie.

Daarmee krijgt wijn ook iets goddelijks, ontdekte ik toen ik iets las over het klassiek-Hebreeuwse woord voor ‘wijn’. In die bijbeltaal hoor je het Nederlandse woord ‘wijn’ ook al terug. In het Hebreeuws schrijf je oorspronkelijk ‘wajin’, maar het woord werd later geschreven en uitgesproken als ‘jajin’.

Achter die kleine verandering zit natuurlijk een idee. Een verhaal. Een theologietje. Komt-ie:

De ‘w’ van ‘wajin’ is de zesde letter van het Hebreewse alfabet. (Oke, eigenlijk moet ik niet alfabet maar alefbet schrijven, want alfabet is Grieks (alfa, beta) en de eerste twee Hebreeuwse letters zijn alef en bet.) Nu is het zo dat alle letters in het Hebreeuws een betekenis hebben en ergens voor staan. De zesde letter is de waw, en ‘waw’ betekent ‘haak’. De letter staat voor de mens, die de tussenschakel is tussen God en de wereld, een verbindingsfiguur die de schepping dankend verbindt met de schepper. De letter waw ziet er ook uit als een mens: een rechtopstaande streep met een kleiner streepje als hoofd naar voren, naar de toekomst gericht. (Wikipedia-check.)

Die ‘w’ is dus verdwenen uit het Hebreeuwse oerwoord (wajin), en vervangen door een ‘j’ (jajin), de kleinste letter van het Hebreeuwse schrift. En laat die ‘j’ nou de eerste letter zijn van de godsnaam: JaHWeH. Niet de mens maar de godsnaam bepaalt de smaak van de wijn.

Een typisch joodse move. Wijn maakt je los van zorgen, heerlijk. Maar ook zomaar los van jezelf. Met draaimolen-scenario’s als gevolg. Minder prettig.

De bijbel speelt met dat risico. Wijn speelt een grote rol in de bijbelse verhalen. Van de ontdekking inclusief dronkenschap (Noach na de zondvloed) tot Simsons moeder die geen wijn tijdens haar zwangerschap mocht drinken (nog altijd een wijs advies) tot Jezus die de avond voor zijn dood nog een laatste keer van ‘de vrucht van de wijnstok’ met zijn vrienden drinkt. De beroemde scene van het Laatste Avondmaal.

Wijn zonder goddelijkheid is wajin, met de mens (waw) voorop. Wijn met goddelijkheid is jajin. Bij dat laatste staan de Joden stil als ze van de wijn genieten. Daarom danken zij, en zegenen zij de wijn. Ze weten het: Met wajin wekken we alcoholische roes op waarin we ons tijdelijk willen losmaken van de tijd met alle zorg en narigheid. Maar door de dankzegging over de jajin waarbij de daden van Israëls God in herinnering worden gebracht, bevestigen we juist de verbinding met de allerhoogste.

Wijn.
Goddelijke drank.
Waarvoor dank.

PS. Zin in meer leerzame theologie? In mijn theatercollege ‘OMG, stel je eens voor!’ pakken we de oerverhalen uit Genesis aan. Wat kunnen we daar vandaag nog mee?

 

Bakkerspraatje

 

Bakkerspraatje

Woensdagochtend. Hooglanderveen. Naar de Boni. Eten halen voor woensdag en donderdag. Afrekenen. Winkel uit. Meteen oversteken. Naar de lokale bakker. Standaardpakket: 3 volkoren bruin en 1 zak krentenbollen. En zo goed als altijd een praatje, een geintje, een verhaaltje. Ouwehoeren met de bakkersvrouwen, terwijl het brood door de andere gezellige ouwehoer wordt gesneden, achterin het winkeltje. Dat doet ze met zo’n bekend maar ongelooflijk herriemakend en onverwoestbaar apparaat. Zo’n trillende zaagmachine die ik in mijn wilde fantasieën uitermate geschikt vind voor een lugubere moord in mijn niet verkopende misdaadthrillerpocketboek, waarin racisme de verhaallijn bepaalt. Titel: ‘Halfgesneden, bruin of wit?’

Hou ik van. Niet van moorden, wel van ouwehoeren. Deze keer met de vrouw achter de kassa. Ze staat er niet achter. Ze zit op een stoel, linkerbeen gestrekt. Enkel gebroken. Spieren erom afgescheurd. En daarbovenop ook nog een infectie. Oorzaak: een losse stoeptegel. Zegt ze, terwijl ze kassa aanslaat:

‘Jij komt toch uit het noorden?’

Ik kijk achterom naar de vrouw die mijn brood rustig aan het vermoorden is. ‘Hoor je dat?’ vraag ik. ‘Dat is toch een belediging?’

De kassavrouw: ‘Niet dan? Je bent zeker een Fries?’

Ik zeg dat ik dat wel vaker krijg te horen, maar dat ik niet kan schaatsen en dat ik niet weet hoe ik fierljeppen moet schrijven. En dat mensen soms denken dat ik uit Twente kom. En dat ik uit Spakenburg kom.

‘O ja, uit Spakenburg? Dat is gek, want we hebben hier wel eens iemand uit dat dorp werken maar die praat echt anders dan jij.’

Ik begin plat-Spakenburgs te praten, of iets dat op dat dialect lijkt.

‘Nou hoor ik het ja.’

Ik zeg: ‘Ik zal de tongval nooit afleren, denk ik. En ik dacht nog wel dat ik dat moest. Ik ben namelijk dominee geweest.’

‘Ben jij dominee geweest?’ Ze valt bijna van haar stoel af, en kijkt me met grote ogen aan?

‘Is dat zo raar dan? vraag ik.

‘Maar je ziet er helemaal niet uit als een dominee. En je praat niet als een dominee.’

‘Nee’, zeg ik, ‘ik praat met een Spakenburgse tongval. Maar ik kan wel een dominee nadoen hoor, zoals jij die waarschijnlijk voor je ziet.’ Ik zet een pastoraal gezicht op (gezicht iets schuin, ogen toegeknepen), zet mijn handen met hun vingertoppen op elkaar voor mijn middenrif, en zeg: ‘Ik kan me voorstellen dat een dergelijke lelijke enkelbreuk zomaar enkele onbeantwoorde levensvragen bij je zou kunnen oproepen.’

‘Maar nu ben je geen dominee meer?’ vraagt ze.

‘Nee,’ zeg ik. ‘Nou ja, eigenlijk wel. Alleen ben ik nu theaterdominee.’

‘Wat is dat dan?’ Bijna valt ze weer.

Ik leg uit dat ik met de bijbelverhalen het theater inga. Dat ik die ga uitleggen enzo. En dat ik liedjes zing. En gedichten voordraag. En dat ik begin in het theater van Vathorst. Zij vertelt dat ze joods is. En dat ze niet gelooft dat de wereld door een meneer in de hemel is gemaakt.

Ik glimlach. ‘Ik denk ook niet door een meneer.’

‘Maar ook niet door een vrouw’, haast ze zich te zeggen. ‘Maar leuk man, ik kom naar je theater toe, hoor.’

Ik glimlach nog breder en open de deur van de winkel, vlak naast de kassa. ‘Wat een ontzettend leuke en lieve en gezellige vrouw’, denk ik als ik naar buiten loop.

Maar – toch altijd even een innerlijke check – ze is niet mijn type. Ik vraag me af waarom niet. Ik kom er niet uit, en laat het lopen. Vind het ook niet belangrijk.

Ik loop naar mijn auto, open het portier, zet de broodtas op de bijrijdersstoel. En opeens weet ik het.

Ze is geen moordvrouw!

Wil je de theaterdominee in theater of kerk meemaken? Kijk hier waar hij zijn theatercolleges geeft en reserveer je ticket(s)!

Twee-eenheidsgeesten

Twee-eenheidsgeesten

Een mentor en zijn trouwe maat
kregen het eens goed te kwaad.
Een bange zoon, een boze pa,
zie daar Baudet en Hiddema.

Een mentor en zijn trouwe maat:
advocaat, aristocraat.
Ze gingen in twee-eenheidsgeest
voor een groots verkiezingsfeest.

De mentor gaf zijn trouwe maat

een slimme, politieke raad:
‘Je woede moet je laten zien,
je angst laat je bij “Carolien”.’

De mentor stak zijn trouwe maat
strak in pak, gelikt gewaad:
‘Je laat je zien aan heel het land?
Verpak dan mooi je binnenkant.’

De mentor liet zijn trouwe maat
geloven in een nieuwe staat:
‘Wil je op jouw greep mijn zegen?

Sta voor jezelf, en anderen tegen.’

De mentor en zijn trouwe maat
werden hierdoor inderdaad
door andere bangen, door andere bozen
tot grootsten van het land gekozen.

Ook ik ben heel vaak boos en bang.
Soms wel dagen, weken lang.
Dan roep of huil ik hard of zacht:
‘En nú de beste aan de macht!’

Ik geloof dan niet in de twee-eenheid
van de mentor en zijn maat.
Die houden van verkiezingsfeest
vanuit een kern, gezonde geest.

[Geïnspireerd op een passage uit een brief van Paulus aan de gelovigen in Efeze, vooral de verzen 4 en 9-10.]

 

Intiem gesprek

Intiem gesprek

Soms voer je een goed en intiem gesprek. Dat je denkt: ‘Zo zeg, dat is intiem. Dat ga ik eens even lekker met de buitenwereld delen.’ Deze keer begon mijn innerlijke vader er mee. Zomaar, ineens en vanuit het stille niets zei hij tegen de jongen in mij:

‘Positief praten over God levert tegenwoordig hetzelfde resultaat op als positief praten over de PVV.’

‘Oh, is dat zo?’

‘Ja. Je komt meteen in het verdachtenbankje terecht.’

‘Eh ja, en dus..?’

‘…kunnen we God misschien maar beter vervangen door een crimineel. Die blijft sowieso verdacht. Dat we God bijvoorbeeld vervangen door bekende criminelen als Cees H. of Willem H.
Of door een andere Heek.’

‘Maar klopt dat wel, pa? Ik bedoel: mijn generatiegenoten vinden het volgens mij helemaal niet verdacht als er over God wordt gepraat. Oké, soms ontstaat dat idee. Als er in godsnaam wordt gedwongen of gemanipuleerd ofzoiets. Maar het punt is meer dat God als onbelangrijk en irrelevant wordt beschouwd. God heeft voor veel van onze tijdgenoten geen zin, geen betekenis en geen nut.’

‘Oh’, zegt mijn pa, ‘dan stel ik voor om God dan toch maar te blijven vergelijken met de PVV.’

‘Maar pa, volgens mij wil je wat anders zeggen, of niet?’

‘Haha, je kent me te goed, jongen. Ik zit inderdaad ergens anders mee. Ik heb de laatste tijd namelijk eens even goed nagedacht. Kijk, het wordt dan zelden of nooit gedaan, maar áls er dan over God wordt gepraat, spreken die woorden ons vaak niet meer aan.’

‘Dat herken ik’, zeg ik meteen. ‘En hoe komt dat dan, pa?’, vraag ik. ‘Je hebt goed nagedacht zeg je.’

‘Dat komt door jou en mij.’ Ik zie mijn vader een schuldbewust gezicht trekken. Je weet wel, zo’n gezicht waar wij, gemiddelde volwassen mannen, bekend om staan. Mooi is dat. Kwetsbaar ook. Dat we de ander aankijken en zwijgend smeken om zijn of haar vergeving. Omdat we het weten: je bent dan wel een man, je blijft natuurlijk ook mens.’

‘Het komt door jou en mij dat God ons niet meer aanspreekt? Hoezo?’, vraag ik. Ik sta verbaasd. Daarom ga ik nieuwsgierig weer zitten.

Mijn vader buigt zich naar mij toe, raakt mijn buik aan en kijkt me net iets te lang en te diep in de ogen. Hij lijkt iets belangrijks te willen zeggen. ‘Wat voel jij bij God? Bij het woord? Bij het denken erover? In de stilte van die overdenking?’

Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog. ‘Wat ik voel bij God? Nou, niets. Na al die jaren eigenlijk helemaal niets.’

‘Ik ook niet’, zegt mijn vader. ‘Lange tijd voelde ik er helemaal niets bij. En ik denk dat jij er daarom ook helemaal niets bij voelt. Ik heb het je niet aangeleerd, ik weet ook niet hoe dat moet, en ik vraag me af of ik het je wel kan of moet leren.’

‘Nou, lekker is dat dan,’ reageer ik snel. ‘En nu? Gaan we nu sentimenteel doen. Moet ik God nu gaan voelen en ervaren dan? In hem opgaan enzo. In de flow en de extase. Dat vertik ik, als je dat meer weet.’

‘God is geen vogel die je hoeft te  vangen. Hij is geen sfeer die je moet binnengaan door uit jezelf te treden of in extase te raken – al is die ruimte er volgens mij zeker. Maar vertel jij me nou eens. Wanneer heb jij nou voor het laatst ‘God’ aan- of uitgeroepen?’

Ik denk na en spoel mezelf wat terug in het recente verleden. ‘Dat weet ik echt niet meer.’ Onwetend trek ik nogmaals mijn wenkbrauwen op. ‘Dat is een goeie vraag, pa.’ En dan schiet het me opeens te binnen. En moet ik wat onzeker glimlachen. Ik  zeg: ‘Wil je dat echt weten, pa? Ik twijfel eraan of je dat wel wil horen…’

‘We kunnen elkaar vertrouwen, toch?’

‘Nou, oké dan. Ik riep ‘God’ voor het laatst aan in bed.’

‘Ja, precies. Tijdens een meditatie. Of toen je aan het bidden was.’

‘Nou, het gebeurde eigenlijk in het slotstuk van een vrijpartij met je schoondochter. Tijdens de apotheose riep ik toen iets van: ‘Oh, mijn Gòòòòòòòò…’

Ik zie mijn vader schrikken. Daarna houdt hij het niet meer. Hij lacht zichzelf zelfs zo krom dat ik bang ben dat hij knapt. Als hij is uitgeschuddebuikt zegt hij: ‘Weet je trouwens wat ‘apotheose’ betekent?

‘Jaja, zeker. Dat begrip komt uit de oude Griekse heldenverhalen. Apotheose schijnt iets te betekenen als: een verheffing van de mens tot God. Zo’n figuur als Alexander de Grote kreeg bijvoorbeeld ook de status van god toebedeeld.

‘Dus jij riep God aan, toen je… Nou, dan heeft God kennelijk toch iets met extase te maken.’

We kijken elkaar aan. Een tijdlang knikken we als twee jojo’s naar elkaar. We lijken overduidelijk dezelfde ervaringen te delen. Ik houd me in om in dit verband geen voorspelbare woordgrap met ‘extase’ te maken, en ik baal ervan dat ik nogal visueel ben ingesteld en het echtelijk bed van mijn ouders voor me zie. Gelukkig helpt mijn vader me al snel uit die droom:

‘En toch denk ik dat we ons hiermee nog op de oppervlakte bevinden. Zeker, tijdens een orgasme of op momenten dat de schrik ons overvalt (ik moet opeens denken aan de paniek in de ogen en het geschreeuw van vluchtende Amerikanen tijdens het instorten van de Twin Towers:) of als we bijvoorbeeld worden overweldigd door de ultieme schoonheid van de natuur, dan roepen we zomaar God aan. Bewust of onbewust. O(h)M(y)G(od)! Maar dat is alleen nog maar oppervlakte, een impuls, een religieus stopwoord, een ondoordachte explosie van verrukking of ontzetting.’

Ik vraag: ‘Dus op zulke momenten verbinden we ons niet echt met God, bedoel je?’

‘Nou,’ antwoordt mijn vader, ‘laten we zeggen dat we op zijn hoogst de aandacht van God trekken. Even snel en kort en krachtig. Waar hij vervolgens nooit op ingaat.’

‘Want?’ vraag ik.

‘Ik denk dat God een geheim is dat je pas kunt kennen en voelen wanneer we ons diep met onszelf verbinden. Wanneer we in onze kern komen. In het hart achter ons hart. En dat kan nooit een snel en vluchtig proces zijn.’

Ik hoor de woorden van mijn vader aan. ‘Ik begrijp het volgens mij niet echt’, stamel ik.

Mijn vader legt zijn arm op mijn schouder. ‘Dat maakt niet uit. Je begrijpt het niet. En ik wens ons allebei toe dat we het nooit zullen begrijpen. Op het moment dat we het begrijpen, zijn we niet alleen God kwijtgeraakt, maar zijn we ook los van onszelf gekomen. Het is misschien wel de kwaal van onze tijd. We zitten in ons hoofd, in de kennis, in de concepten, in de analyses. Of het nou voetbal- of Nieuwsuur- of terrorismedreiging-analyses zijn: alles moet en zal worden worden verklaard. We zitten volstrekt hopeloos in onze kop. Een gigantische polonaise van westerse mensen is het contact met het gevoel kwijt. En de intellectuele elite leidt de dans. Je herkent ze heel gemakkelijk. Ze trekken veel aandacht. Veel stemmen. En uiteindelijk aan het kortste eind.’

‘En wat als ik God nou nooit vind, op die manier dat je diep met jezelf verbonden bent, zoals jij dat noemt?’ vraag ik.

‘Dan zij dat zo. Wat kome, komt.
Volg in ieder geval de weg die naar je innerlijkheid, die naar je hart leidt.’

‘Welke weg is dat dan, pa?’

‘De weg van de wijsheid, jongen.
Kijk, zoals je weet kennen we allerlei soorten universele krachten, waaraan we zijn overgeleverd.
De zwaartekracht.
Zonnekracht.
Waterkracht.
Atoomkracht.
Denkkracht.
Geneeskracht.
Allemaal krachten die we niet zien, maar die wel werken.
Oke, er is één uitzondering.’

‘O ja?’

‘De vakantiekracht.
Die zie je wel, maar die werkt niet.
Maar we zijn overgeleverd aan die andere krachten.
Die we kunnen tarten, maar niet kunnen uitschakelen. We moeten ze gewoonweg gehoorzamen.
Zo ook met de kracht van de wijsheid. In de taal van Israël ‘GOGMA’ genoemd, waar het woord ‘goochem’ en ‘goochemerd’ van afgeleid is. Weet je, aan die universele, onzichtbare, creatieve en morele kracht moeten we ons houden. Anders gaat het waarschijnlijk vroeg of – als je pech hebt – laat mis.’

‘Oké’, zeg ik met grote ogen. Maar hoe houd ik me dan aan die universele wet?’

‘Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet, houd in je hart mijn richtlijnen vast. Ze vermeerderen de dagen van je leven, geven je vele jaren van geluk. Mogen liefde en trouw je nooit verlaten, wind ze om je hals, schrijf ze in je hart. God en de mensen zullen je genegen zijn en je zult waardering ondervinden.’

‘En als ik dat doe, vind ik dan God?’

‘Je zult het hart achter je hart vroeg of laat horen kloppen.’

Plotseling begin ik er wat genoeg van te krijgen. Ik voel iets van onrust en zelfs boosheid na deze cryptische taal in mezelf opwellen. ‘En als ik hier geen zin in heb, pa?’ zeg ik gepikeerd. ‘Ik weet het niet hoor, maar wat als ik gewoon mijn eigen leven wil leiden? Wat als ik dat hart achter mijn hart helemaal niet wil vinden?’

‘Waar een weg is, kan ook een wil ontstaan. Mensen kunnen vaak meer dan ze denken, en willen vaak meer dan ze laten zien.’

‘Dus je vindt dat ik nu meteen al die zogenaamde weg van die zogenaamde wijsheid moet gaan lopen? Of vinden. Of weet ik veel wat ik moet doen.’

‘God forceert niet, jongen. Nooit. Hij lokt.’

Dan ontplof ik. ‘Ja Jezus zeg! Ik ben christus niet! Zie ik eruit als een heilige?’

Mijn vader glimlacht, knijpt zijn ogen samen en legt zijn grote hand op mijn knie: ‘Rustig, jongen. Ook ik ben christus niet. Maar wie of wat we niet zijn, kunnen we natuurlijk nog wel worden.’

‘Ja ja,’zeg ik en ik maan me zelf tot rust. ‘Dus eigenlijk zeg je dat we een soort PVV kunnen worden.’

Mijn vader kijkt me vol ongeloof aan. ‘Wat zeg je nou? Volgens mij heb je me niet zo…’

‘Ja echt, eigenlijk zeg je dat we onszelf een soort PVV-levenshouding moeten aanmeten’, zeg ik.

‘P-V-V’, herhaalt mijn vader langzaam en hoogst verbaasd. Wat bedoel je daar nou mee te zeggen, jongen?’

‘PlaatsVervangende Voeling, pa.’

 

‘Niks aan te doen?’

 

Een open brief gedicht aan Howick en Lili (en onze twee hooggeachte Marken)

Lieve Howick en Lili,

Ik kan helemaal niks voor jullie doen.
Laat ik in mijn onmacht met mezelf beginnen.
Ik zou onze woonplaats wel willen klonen,
dat jullie weggestuurd toch dichtbij blijven wonen.
Ik pers uit mijn hart slechts deze zinnen.
(Shit man.)
Nee.
Ik kan helemaal niks voor jullie doen.

Hij kan helemaal niks voor jullie doen.
Al heet hij Mark en mag hij dit land leiden.
Het vaakst houdt hij zich uit noodzaak stil
en voert hij uit wat de meerderheid wil.
Kun je jezelf van dat beleid bevrijden?
(Ja hoor.)
Nee.
Hij kan helemaal niks voor jullie doen.

Wij kunnen helemaal niks voor jullie doen.
Al zijn we medelanders van wie de harten bloeden.
We zouden jullie zo graag thuis willen houden.
En dus in Den Haag wel huis willen houden.
Maar geweld, dat is niks voor de lieven en goeden.
(Echt niet?)
Nee.
We kunnen helemaal niks voor jullie doen.

Maar hij kan echt alles voor jullie doen!
Die andere Mark, hij kan harten veroveren.
Hij kan van recht verwondering maken.
En jullie levens uitzonderlijk raken.
Hij kan – weet hij – bovenmenselijk toveren.
(Is hij God?)
Nee.
Maar hij kan echt alles voor jullie doen!

Een zondvloedverhaal

 

Een zondvloedverhaal

[Een mini-theatercollege, gehouden op 9 mei in het Bijbels Museum in Amsterdam n.a.v. de fototentoonstellling ZondvloedNu.]

SCENE 1 – BRIEVEN OP HUN POST

Een wijs man stelde me eens deze vraag:
‘David, mijn zoon! Die verhalen over Adam en Eva, Kaïn en Abel, de zondvloed en en de toren van Babel – heb jij al ontdekt wat de rode draad is in al die oerverhalen?’

‘Dat ze nogal sterk en waarschijnlijk ahistorisch zijn, maar dat je er met een dosis fantasie en associaties toch wel wat mee kunt?’ probeer ik.

De man glimlacht naar me. ‘En, bevalt het theologische napraterschap?’

‘Wat is volgens u dan de rode draad?’ vraag ik nieuwsgierig.

‘Mijn zoon, dat het leven een onvermijdelijke aaneenschakeling is van DOORSTARTEN. Niet steeds opnieuw, maar steeds hernieuwd beginnen. Maar let op: alleen de wijzen onder de mensen nemen het geleerde uit de vorige fases in hun rugzak mee. De bijna-wijzen blijven in oude fouten hangen. Het gros in oude levens.

Hij kijkt me behoorlijk serieus aan.

‘Laat je niks wijs maken, maar word wel wijzer. Mensen lijken op brieven. Ze laten zichzelf het liefst ongelezen en ze sluiten hun levensgeheimen op in een dichtgelikte envelop. Ze laten zich liever niet beschrijven, laat staan herschrijven – want, denken ze, opnieuw beginnen is je opgebouwde verleden weggooien, en je geïdealiseerde toekomstbeeld naar de gallemiezen laten helpen. Voor velen bestaat er geen groter schrikbeeld dan alles loslaten, en een doorstart maken. Dan stappen terugzetten of juist vooruitzetten, verder dan je kunt overzien, en vandaaruit verder gaan.’

Ik kijk de mentor met zúlke ogen aan.

‘Daar komen nog’, gaat hij verder, ‘onzekere vragen bij. Omdat wij ons leven als een brief kunnen zien, kunnen we ons angstig afvragen of we wel op het juiste adres zullen aankomen. Diep van binnen zijn we zomaar bang of we wel in de goede bus van bestemming zullen vallen.’

‘Oké,’ zeg ik, ‘en stel nou dat ik mezelf herken in zo’n brief die zich vasthoudt aan de zekerheden en genoegens van het heden of het verleden omdat ook hij bang voor de toekomst is, en voor welke doorstart dan ook?’

‘Mijn zoon, dan waardeer ik je om je eerlijkheid. En dan wordt het tijd dat je gaat begrijpen waarom die beroemde man uit Nazaret regelmatig tegen al die brieven om hem heen zei: ‘Wees niet bezorgd.’

‘Ik heb nog één vraag voor u, mentor. Hoe en wanneer weet je wanneer er een doorstart aan zit te komen? Kun je zoiets voelen aankomen?

‘Kom, luister eens naar een stukje uit een oerverhaal.’

Scene 2 – Oerverhaalstukje

[Luisterfragment: Genesis 9: 8-21]

Na de vloed zei God tegen Noach en zijn zonen: ‘Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met jullie nakomelingen, en met alle levende wezens die bij jullie zijn, met alle dieren op aarde. Ik doe jullie deze belofte: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. Wanneer ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt.

De zonen van Noach, die samen met hem uit de ark waren gekomen, heetten Sem, Cham en Jafet. Cham was de vader van Kanaän.

Noach was landbouwer en legde als eerste een wijngaard aan. Hij dronk van de wijn, werd dronken en ging in zijn tent liggen, zonder kleren aan.

 
 

Scene 3 – ‘Drink met mij!’

[Leest voor uit:]
‘Sterke Verhalen’
Hoofdstuk 9
Een verhaaltje voor het slapen gaan.

Een paar uur voordat Noach straalkachel, ladderzat en poedelnaakt zijn roes ligt uit te slapen, neemt hij – zo gaat het verhaal – een volgende slok wijn, en waggelt hij in al redelijk aangeschoten staat zijn tent uit. We horen hem de namen van zijn drie zonen roepen. ‘Sem, Cham, Jafet, jullie vader roept je. jullie spreken me altijd aan met Noach, dus jullie horen het: ‘Troost!’ Troost je, mijn zonen, mijn volk, mijn zaad, mijn eigen vlees en bloed. Laat de koeien en de schapen met rust. En drink met mij op de toekomst die we gaan maken. [Hip]’

Geen reactie.

‘Kom, kom hier. [Hip] Luister naar jullie vader. Echt waar, mijn zonen, dit hebben ook jullie verdiend na alles wat we hebben meegemaakt. Het was een zwaar jaar, on niet te zeggen ondraaglijk. Maar het is voorbij. De storm ligt achter ons, het onbarmhartige water heeft zijn werk gedaan, maar diezelfde tranen van goddelijke woede hebben ons óók gedragen. Deze goddelijke drank zegt ons dat het nu echt voor bij is. Daarom: drink [hip] met mij. Vier het nieuwe leven met mij mee. Geloof me: na regen komt rode wijn.’

Roekoe, roekoe!

Noach kijkt recht in de ogen kijkt van de duif, die hij vorig jaar had losgelaten. Vanuit zijn houten boot, die hij als Titanic had gedoopt. De boot zou tegen een berg stuklopen.

‘Hallo duifje’, zegt Noach vriendelijk. ‘Wil jij misschien ook een slokje?’

‘Meneer Noach,’ reageert de duif als een sportjournalist avant la lettre, ‘wat gaat er op dit moment door u heen?’

Noach blijft even stil, en zegt:

‘Wijn, en niet te weinig ook. Hij is goed, man.’

‘Goed, meneer Noach, vertelt u eens, want de hele wereld, ja alle doden, zitten met dezelfde vraag in hun maag. ‘Hoe wist u het?’

‘Hoe wist ik wát?’

‘Dat de wereld kopje onder ging. Uitgewist. Dat je een boot moest bouwen enzo.’

Verbaasd kijkt Noach de duif aan.

‘Dat wist ik helemaal niet. Zie ik eruit als een toekomstvoorspeller? Ik heb alleen gedaan wat ik vond dat er gedaan moest worden. Toegegeven, dat was iets geks, maar ik voel mij mijn hele leven al gek, en anders, dus dat went.’

‘Maar je hebt toch een stem gehoord, en je kreeg toch een duidelijke opdracht?’, vraagt de duif op zijn beurt verbaasd.’

Noach blijft even stil. Hij pakt zijn beker met wijn, proost richting de duif, neemt een flinke teug en zegt:

‘Inderdaad heb ik Gods stem gehoord. Maar zo bijzonder is dat niet, hoor. Die stem viel namelijk samen met mijn eigen stem. Dat ken jij toch wel, als je in de lente weer een vrouwtje tegenkomt? Die pure intuïtie. Die ervaring van: twee zielen, één gedachte. En toen ben ik met mijn gezonde verstand gaan doen waar ik goed in ben, en wat me eigenlijk mijn hele leven al grote vreugde geeft: mezelf zijn, niet meegaan met het schapengedrag van de meerderheid, schijt hebben aan de status quo, en niet voor God gaan spelen. Ik laat God voor wie hij is, dan word ik vanzelf wie ik ben, begrijp je dat?

De duif doet zijn kopje omlaag en schudt met zijn hoofd. Noach geeft hem een aai over de kop, en kijkt omhoog.

‘Zie je dat, duifje? Zie je die boog en weet je wat dat betekent?’

‘Geen idee.’

‘Kijk eens goed, het is een boog, toch?’

‘Ja, dus?’

‘Mis je niet iets?’

‘Eh, niet dat ik weet.’

‘De pijlen, dombo. Waar zijn de pijlen van de boog?’

De duif doet een huppeltje van vreugde, en schreeuwt het uit van plezier:

‘God is veranderd hij is een pacifist geworden! Hij is op mij gaan lijken. Een vredesduif! Geen pijlen, wel een prachtige kleurenboog. Noach, hoe verzin je het allemaal? Noach?’

Maar Noach is er niet meer.
Hij is naar zijn tent teruggewaggeld.
En heeft zijn kleren uitgedaan.
Kan hem het schelen. Toch niemand in de buurt.
Hij zet de beker weer aan zijn mond, en langzaam maar zeker zuipt hij zich in een diepe coma.

[Voorleesboek dicht]